Het gaat om begrijpen

‘De waarheid, de Tijd en de Geschiedenis’, zo heet een werk van Francisco Goya, geschilderd in 1800. Goya beeldde de Geschiedenis af als een half ontblote, schrijvende vrouw, die aan de voeten zit van de Tijd, een gevleugelde man die een zandloper in zijn linkerhand houdt, en van de Waarheid, een vrouw die frontaal in het volle licht staat. Een afbeelding van het schilderij siert het omslag van het 684 bladzijden tellende boek De tijd, de waarheid en de geschiedenis, van Piet van Rooy, emeritus-hoogleraar geschiedenis van de UvA.

Dat boek is een grote kaleidoskoop, waarin licht wordt geworpen op allerlei inzichten uit wetenschap en filosofie, die talloze wonderlijke anekdotes bevat. De Rooy roept veel prikkelende vragen op zonder te pretenderen definitieve antwoorden te hebben en zet daardoor voortdurend aan tot meedenken. De tijd, de waarheid & de geschiedenis kenmerkt zich door de lichtvoetige stijl, waarmee De Rooy zelfs de ingewikkeldste en zwaarwichtigste kwesties helder voor het voetlicht weet te brengen.

Naar de ene, zeg linkerkant van het immer verschuivende punt van het nu op de tijdlijn strekt zich het verleden uit, naar de andere de toekomst. Aan deze strompelende manier van uitdrukken kun je aflezen hoe moeilijk het is het begrip tijd in woorden te vangen. Augustinus, met instemming door De Rooy aangehaald, zei het al: hij wist wat tijd was, tot hij het probeerde uit te leggen.

In het eerste deel van De tijd, de waarheid & de geschiedenis gaat het over tijd en tijdsbeleving. Sinds we met klokken tijd kunnen meten, weten we dat er zoiets als (bijna) absolute tijd bestaat, waarvan het verloop zichtbaar te maken is met waterklokken, zandlopers en uurwerken. De tijd die we beleven is relatief: het ene uur vliegt om, het andere lijkt zich tot een eeuwigheid uit te willen strekken. De Rooy vertelt over de uitvinding van het echappement, dat klokken doet tikken en over de invoering van tijdzones en spoorboekjes, maar ook over hoe we, dankzij kunstlicht, een langer deel van de nacht wakker en actief blijven en meer zonsopgangen slapend aan ons voorbij laten gaan.

In het tweede deel, over waarheid, kiest De Rooy ervoor om niet, wat je misschien wél verwacht, een wandeling te maken door de filosofie. Zijn wandeling voert hem door de Bijbel, omdat ‘de filosofie voor het dagelijks leven van mensen vrij betekenisloos is. Van veel meer belang waren de wetten en voorschriften van Mozes en de brieven van de apostel Paulus’. Wat is waarheid? ‘Van iets wat zo is, te zeggen dat het zo is, en van iets wat niet zo is, te zeggen dat het niet zo is’, aldus Aristoteles en het christendom nam het graag van hem over. Absolute waarheid berustte immers bij en in God en kwam tot uitdrukking in de Bijbel. Of de Bijbel ook genoeg houvast biedt voor een uitgebreide behandeling van astrologie, spiritisme, mesmerisme, magnetiserende handoplegging en jomandese instraling, is voor De Rooy geen vraag: natuurlijk is dat zo en als het niet zo is, zijn die onderwerpen te interessant om te laten liggen.

De Tijd en de Waarheid staan, de Geschiedenis zit, want zij moet schrijven om verslag te doen van het verleden. Schrijft zij louter wat De Waarheid en De Tijd haar inblazen? Nee, natuurlijk niet, selectie van feiten, het interpreteren ervan en het leggen van verbanden ertussen bepalen haar verslaglegging. Elke historicus schept dus haar eigen beeld van het verleden en gaat zo ook in debat met andere historici: ‘geschiedschrijving is een discussie zonder eind’, aldus de Utrechtse hoogleraar P. Geyl in 1946.

In dit derde deel ruimt De Rooy veel plaats in voor complottheorieën, waar hij niets minder dan een hele staalkaart van presenteert. Complotdenkers zijn ervan overtuigd de echte waarheid te zien achter wat de goegemeente voor waar en werkelijk houdt. Enerzijds kun je bewondering opbrengen voor het vernuft waarmee zij uiterst complexe bouwwerken van denkbeelden construeren, anderzijds groeit tegelijkertijd je ergernis over hun gebrek aan zelfkritiek en zelfrelativering en over het gemak waarmee ze agressieve vooroordelen omarmen.

Alsof De Rooy na een hoofdstuk van zeventig bladzijden zelf ook genoeg heeft gekregen van complottheorieën, met hun selectieve omgang met feiten en hun waarheden achter de waarheid, volgt een hoofdstuk waarin hij de negentiende-eeuwse professionalisering van historisch onderzoek behandelt. Professionalisering die mede de ontwikkeling en invoering van strenge normen voor bronnenonderzoek en verantwoording inhield,

In het laatste hoofdstuk, over mentaliteitsgeschiedenis, haalt hij de Groningse hoogleraar E.H. Kossmann aan, die over het ingewikkelde thema van (nationale) identiteit dit (veelgeciteerde) advies gaf: ‘Loop er liever met aandacht omheen, bekijk het van alle kanten maar stap er niet in, behandel het kortom als een kwal op het strand.’

De historicus gebruikt anekdotes om een verband, ontwikkeling of kwestie te verduidelijken en te illustreren. De tijd, de waarheid & de geschiedenis is een schatkist vol prachtige, interessante anekdotes, verteld op een wijze waar het plezier vanaf spat. Maar altijd verteld om licht te werpen op historische verbanden, want – en ik citeer nu de slotzin van dit prachtboek: ‘Het gaat om begrijpen’.

Hans van der Heijde

Piet de Rooy – De tijd, de waarheid en de geschiedenis. Hoe onze wereld in elkaar zit. Querido Facto, Amsterdam. 684 blz. € 45,00.