Leesbaar en hermetisch als de meester zelf

Ik kan me zo goed voorstellen waarom vertalers, dichters, acteurs en goedbedoelende buitenstaanders de sonnetten van William Shakespeare willen vertalen. Het is aangenaam en vooral ook dankbaar werk. Het is immers net of die 154 juweeltjes uit de wereldliteratuur al meer dan vierhonderd jaar op jou en jou alleen liggen te wachten. Die gedachte speelde wellicht ook onbewust mee toen Frans van Deursen een titel zocht voor zijn onlangs bij Van Oorschot verschenen vertaling (Voor jou en jou alleen). Laat ik voorop stellen dat het een goede vertaling is in een mooie discrete uitgave. Een stemmig groen boekje op net iets meer dan briefkaartformaat met harde kaft en leeslint. Een handzaam bezit voor op reis, misschien wel bedoeld voor in de handbagage op vakantie. Een boekje dat je zeker moet hebben als je van Shakespeare houdt en de sonnetten nog niet in de kast hebt staan.

Maar daar begint mijn verwondering: dat al die tientallen schrijvers (alleen al de laatste 150 jaar zijn het er zeker dertig waaronder niet de minsten, zoals Albert Verwey, P.C. Boutens en Hugo Claus) zich op juist (een deel van) deze gedichten storten, snap ik. Dat ze vervolgens ook allemaal een uitgever vinden, begint al op een soort van wonder te lijken – en dan wil ik nog niet eens beginnen te denken aan de misschien wel honderden geestdriftig vertalende leraren Engels en andere nijvere individuen die de vrucht van hun arbeid niet gepubliceerd hebben. Omdat ze zelf ook wel begrepen dat hun werk, hoe creatief en bijzonder ook, uiteindelijk weinig toevoegde aan alles wat er al is.

Maar goed, het werk zelf. Laten we als voorbeeld eens kijken naar wat enkele vertalers van dat mooie, nogal emotionele sonnet 29 hebben gemaakt:

In 1997 probeerde H.J. de Roy van Zuydewijn ‘de poëzie van het origineel zo dicht mogelijk te benaderen, en zowel recht te doen aan de renaissancistische dictie van de sonnetten als licht te werpen op de diverse betekenislagen die in de veelkantige diamant van Shakespeares poëzie verborgen liggen.’ Aldus de flaptekst van zijn mooie tweetalige uitgave.

Het is aardig om te zien hoe de vertaler probeert een Nederlands uit vroeger eeuwen te suggereren, wat (het moet gezegd) wel een aangename sfeer oproept. Uiteraard laat De Roy van Zuydewijn in zijn inleiding het vraagstuk van ‘de ander’ in de sonnetten niet onbesproken. Was het een beminde man of een dito vrouw? Het is een vraag die meer vertalers zich stellen, hoewel dat voor de vertaling zelf natuurlijk niet relevant is. Zodra een vertaler gaat interpreteren, ligt het gevaar op de loer dat hij daarbij keuzes maakt die eigenlijk aan de lezer voorbehouden zijn.

Nog duidelijker in zijn keuze is Marien de Bruijn, die de sonnetten in 2021 samenbracht onder de titel De liefdesavonturen van Willy the Shake. Je vraagt je bij zo’n titel toch af wat de dichter de vertaler misdaan heeft, maar goed. Los daarvan vaart De Bruijn erg op de homo-erotische interpretatie en onderscheidt twee aangesprokenen: een geliefde man en een vrouw die er met die man vandoor lijkt te gaan. Ach ja, waarom ook niet.

De grote verdienste van De Bruijn is dat hij ons niet opscheept met gekunsteld zeventiende-eeuws, maar zich concentreert op de inhoud. Het is een keuze waar elke vertaler van poëzie voor komt te staan: inhoud boven vorm, of andersom. Ikzelf neig, net als De Bruijn, naar dat eerste. De kracht van de poëzie komt er vaak sterker door uit de verf en het voorkomt een hoop rederijkerij – al zijn er natuurlijk dichters die van het origineel gewoon helemaal hun eigen gedicht maken. Met vaak wel een sterk resultaat:

Het is bij Claus meteen ook een soort van Italiaans sonnet geworden, wat op zich voor deze Vijftiger al bijzonder verrassend was – ook al waren de vijftien sonnetten uit het bundeltje in eerste instantie slechts bedoeld als nieuwjaarsgeschenk voor de relaties van De Bezige Bij. Een aardigheidje dus. Maar ondanks de vorm, compleet met traditioneel eindrijm, zijn het uiteindelijk wel behoorlijk stevige Claus-gedichten geworden.

Maar goed, de hamvraag is natuurlijk wat Frans van Deursen van Shakespeares negenentwintigste heeft gemaakt.

Van Deursen kiest in Voor jou en jou alleen voor het beste van al die werelden. Vorm, inclusief metrum en eindrijm, zijn onmiskenbaar Shakespeariaans, de taal al even onmiskenbaar hedendaags Nederlands. Woorden als ‘jank’ en ‘sakker’, ‘walgend’ en ‘kwettert’ benaderen Shakespeare bovendien meer dan welke meer omfloerste omschrijving ook. En het sonnet is, ook belangrijk, nu misschien wel zeer leesbaar, maar daarmee nog niet meteen eenduidig begrijpelijk. Daarmee het misverstand aanstippend dat die gedichten van Shakespeare voor ons nu wel lastig zijn, maar dat ze voor de contemporaine lezers gesneden koek waren. Dat waren ze niet. Shakespeare was tijdens zijn leven bekend als toneelschrijver en regisseur, maar vooral als toneelspeler, een beroep waaraan men over het algemeen niet op een bijzonder hoge maatschappelijke status kon bogen. Gedichten waarvan de kern zich niet meteen bij eerste lezing openbaarde, waarvoor lezers wat meer moeite moesten doen,  werkten daarom statusverhogend. Zij toonden een auteur die intellectueel meer in zijn mars had dan je van zo’n acteurtje zou verwachten. En William Shakespeare was er de man niet naar om zo’n kans onbenut te laten. Dat wil vanzelf niet zeggen dat hij zijn sonnetten uit effectbejag schreef, integendeel, maar wel dat hij deze kant van zijn talent niet onopgemerkt wilde laten.
Het is de kunst om in een vertaling juist die spanning tussen leesbaarheid en tamelijk hermetische inhoud te handhaven. Daarin is Van Deursen zeker geslaagd.

Jan de Jong

William Shakespeare – Voor jou en jou alleen. De sonnetten. Vertaald door Frans van Deursen. Van Oorschot, Amsterdam. 176 blz. € 19,99