Finca Vigía, Cuba

In een buitenwijk van Havana, op een heuvel, staat Finca Vigía het huis waarin Ernest Hemingway zo’n twintig jaar woonde. Het is een groot, wit landhuis met een koloniale uitstraling, bereikbaar via een oprijlaan. Witte pilaren, lage palmen, oude acacia’s. Het is nu een museum, maar veel is gebleven zoals het was.

Binnen zijn de kamers gevuld met opgezette dieren die door de schrijver zelf geschoten zijn, een levensgroot affiche van een stierengevecht in San Sebastian dat herinnert aan The Sun Also Rises, mahonie meubilair en veel boeken. Hemingway stond ver af van wat wij tegenwoordig onder dierenliefde verstaan, dat is duidelijk. Hij was een jager. Op groot wild, en op rokken. Een avonturier, wereldreiziger, oorlogscorrespondent, visser, drinker en schrijver; een man die graag stoer overkwam.

Rondom het huis ligt een tuin. Daar staat Pilar, een van zijn boten. De visuitjes in de boot inspireerden hem ongetwijfeld voor The Old Man and the Sea. Bij het huis ook een lichtblauw zwembad, leeg, omringd door witte metalen tuinstoelen uit de jaren vijftig. Je kunt je er een tuinfeest voorstellen, met daiquiri’s en Ava Gardner in een zwempak, georganiseerd door een van Hemingway’s vrouwen.

In een kamer staat een typemachine, achtergelaten op een lage boekenkast waarachter Hemingway staande schreef. Waarom hij geen comfortabelere houding koos is onduidelijk. Misschien wilde hij op een snel tempo schrijven of op die manier calorieën verbranden. Hij was in elk geval geobsedeerd door zijn gewicht. Op de badkamermuur, naast de weegschaal, noteerde hij de kilo’s en grammen nauwkeurig in potlood. Wat me het meest trof, vond ik in de kamer ernaast. Het militaire uniform dat hij droeg als oorlogsjournalist hing daar nog, naast talloze stevige kistjes en laarzen.
Finca Vigía, ‘de uitkijktoren’ refererend naar de toren op het terrein, bezocht ik in 2016. Wat deed het me, wat zocht ik er? Hemingway lijkt me nu vooral een persoon die voortdurend op de vlucht was voor zijn eigen bestaan, maar misschien trok de spanning me aan waarmee hij zijn leven omgaf, of de manier waarop hij dat omzette in proza.

Voorafgaand aan het bezoek had ik gelezen dat Hemingway tijdens de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger voor het Amerikaanse Rode Kruis diende aan het front in Noord-Italië, aan de grens met het huidige Slovenië. Precies waar mijn grootvader vandaan kwam. Hij was een twintigjarige jongen die meegesleurd werd in een oorlog waar hij niet op zat te wachten en diende in het 114e regiment, Brigata Mantova. Hoe onwaarschijnlijk ook, de gedachte dat de latere wereldberoemde schrijver met een villa op Cuba ergens het pad kruiste van mijn opa, die heelhuids terugkeerde naar zijn dorp om familievader te worden, is op zichzelf boeiend. In ieder geval: Hemingway schreef over dat front in A Farewell to Arms en legt in de roman die situaties bloot waar mijn grootvader nooit met mij over heeft kunnen spreken.

Na de mislukte invasie in de Varkensbaai vertrok Hemingway uit Cuba. De Cubaanse staat onteigende Finca Vigía en veranderde het na zijn dood in 1961 in een museum. De schrijver maakte zelf een eind aan zijn leven met een jachtgeweer.

Rosanna Del Negro

(foto boven Hemingway op zijn jacht de Pilar, Publiek domein, via Wikimedia)
(Overige foto’s © Rosanna Del Negro)