Schrijversbiotopen: Virginia Woolf in East Sussex
De wandelstok van Virginia Woolf
Op de kaart die ik van mijn schoonfamilie heb geleend is de route duidelijk aangegeven. Af en toe over een hek klimmen, hebben ze gezegd, en vooral blaffende honden negeren. Na ongeveer een kwartier passeer ik het laatste huis van Lewes en loop ik in een prachtig leeg landschap. Het zijn smalle paadjes tussen weilanden, met links in de verte Mount Caburn en Firle Beacon, rechts de South Downs waarvan de heuvels meteen al hoog oprijzen. Virginia Woolf heeft hier zelf ook gelopen. Soms gebruikte ze deze route om in Lewes boodschappen te doen. Ook nam ze wel vrienden mee om hun dit eeuwenoude gebied te laten zien. Het terrein is vlak en overzichtelijk, soms doemt een merkwaardige uitstulping op met daarop kromgebogen bomen. Het moeten overblijfsels uit de oertijd zijn, op de kaart staat steeds tumulus aangegeven. Volgens dezelfde kaart stroomt de Ouse door dit landschap, maar de rivier blijft nog voor mij verborgen.
Natuurlijk kun je met de auto naar Rodmell rijden, over een kronkelige weg tussen groene heggen, maar dan ontgaat je de weidsheid van dit landschap. Bovendien, Woolf was een fervente wandelaar, je kunt haar niet per auto nareizen. Na ongeveer een uur, nadat ik kassen, een landhuis en de twee gehuchten Iford en Northease ben gepasseerd, arriveer ik in Rodmell. Het is een slaperig dorp, met van die typische Engelse cottages, klein en onpraktisch, volgepropt met spullen. Maar wel met ruime tuinen, klimrozen, hoge bomen en vrolijk gekleurde voordeuren. Rodmell heeft nog een pub, de Abergavenny Arms, maar het postkantoor, de dorpswinkel en de smederij uit de tijd van Woolf zijn allemaal verdwenen. Toen ze er net woonde, schreef ze in haar dagboek:
One of the charms of Rodmell is the human life: everyone does the same thing at the same hour. Everone is in his, or their garden, lamps are lit, but people like the last daylight. What I mean is that we are a community.
Of dit gevoel geheel wederzijds was is maar de vraag: veel van de dorpsmensen vonden haar excentriek en afstandelijk.
Monk’s House, het weekendhuis dat de Woolfs in 1919 kochten, ligt aan de noordkant van Rodmell. Het is geen opvallend huis, je loopt er zo aan voorbij. Gelukkig hangt er een bord van de National Trust aan het hek. De voordeur werd door de Woolfs nooit gebruikt, daarom moet je ook nu nog steeds achterom lopen. Als ik een kaartje koop word ik – als lezer van 95 procent van de Woolfliteratuur – door talloze gedachten bestormd. Hier zie je waar ik eerder alleen maar over gelezen heb of wat ik op foto’s heb bekeken. De immense, kleurrijke tuin dringt zich het meest aan mij op, terwijl ik ook probeer een glimp van het schrijfhuisje op te vangen. Toch ga ik eerst maar naar binnen.
Misschien had ik beter na moeten denken, want voor ik het weet sta ik met acht andere bezoekers opgepropt in een kamer. We kijken in een gewijde stilte naar een opgemaakt bed. Ik probeer de andere bezoekers te negeren en laat mijn blik door de kamer dwalen. Ik registreer een heel oud elektrisch kacheltje, een lamp met een beschilderde kap en een ouderwetse wastafel. In de boekenkast achter het bed alleen maar vertalingen van de boeken van Woolf, waaronder een paar in het Nederlands. Ik weet dat dit haar slaapkamer was. Het bed is smal en ziet er erg klinisch uit, alsof we in een ouderwets sanatorium zijn beland.
Ik ken zoveel foto’s van deze kamer, dat ik de schilderijen en de door Vanessa Bell ontworpen schouw als oude bekenden terugzie. Alles is erg oud en aftands, niet stoffig wel verweerd. Buiten loop ik naar het schrijfhuisje, dat aan de rand van de tuin onder een enorme kastanjeboom staat. Ook hier is het kaal, er staat een schrijftafel met daarop een vaas met verse bloemen. Hier werkte ze vaak, af en toe opkijkend over dat weidse landschap richting Mount Caburn. Erg comfortabel kan ze hier niet gezeten hebben, maar ze had een ijzeren discipline, ze schreef elke dag. Ze werkte trouwens niet alleen aan deze tafel, binnen zat ze in een leunstoel met dwars over de leuningen een houten plank, waar ze een inktpot op had bevestigd. Ze bezat trouwens ook een typemachine, maar die zie ik nergens terug.
Virginia Woolf wordt vaak afgeschilderd als een ziekelijk, nerveus genie. Als je haar verzameld werk in de boekenkast hebt staan, dan weet je dat ze, ondanks haar kwetsbare gezondheid, heel hard gewerkt heeft. Schrijven was voor haar geen hobby, maar het belangrijkste in het leven. Monk´s House was bedoeld om te ontsnappen aan de hectiek van Londen, maar ze werkte hier misschien nog wel meer omdat er veel minder afleiding was. Bezoek kwam er natuurlijk wel, allerlei beroemde vrienden hebben hier op het terras gezeten. Op een aantal kopieën van foto´s die aan de wand van het schrijfhuis zijn geprikt herken ik Maynard Keynes, E.M. Forster, T.S. Eliot en Vita Sackville-West. Woolf fotografeerde haar gasten zelf, de albums zijn echter verkocht aan een Amerikaanse universiteit.
Ik loop terug naar het huis en ga door een smalle deur naar binnen. De woonkamer waar je mag rondkijken is laag en donker. De wanden zijn groen geschilderd, een kleur die Woolf erg aansprak maar die door haar kritische vrienden bizar werd gevonden. Een paar comfortabele stoelen bij de haard, een beschilderde eettafel, een oude grammofoon, een verweerde secretaire en een paar potgeraniums – bepaald geen Downton Abbey. Het is koel in de kamer, ondanks de zomer buiten. Ik probeer me te concentreren, associaties op te roepen. De glazen vis in de vensterbank nam haar neef Julian Bell voor haar mee uit China, het portret is geschilderd door haar zuster, die primitieve schilderijen behoorden tot de inboedel toen de Woolfs het huis kochten. Er is duidelijk moeite gedaan de tijd in de kamer stil te zetten en de illusie te creëren dat Woolf elk moment weer binnen zou kunnen komen. Al die oude spullen zijn echter niet inspirerend, ze herinneren eerder aan een uitdragerij dan het huis van een schrijver met een eigenzinnige smaak. Er is geen eenheid, er is geen rommel, er zijn vooral ook veel te weinig boeken. Er zijn ook geen honden, die destijds als er bezoek kwam meestal de stoelen bezet hielden. Toen de Woolfs het huis kochten waren de woonomstandigheden primitief, met een wc buiten in de bosjes. In het gehele dorp was trouwens nog geen elektriciteit. Vanaf de eerste dag hebben ze geprobeerd het huis bewoonbaar en comfortabel te maken, Woolf zou nu geen genoegen meer nemen met die aftandse kast in de keuken en ze zou allang een nieuw fornuis gekocht hebben.
Als ik het tuinhek achter me sluit, sla ik rechtsaf. Meteen na de volle parkeerplaats beginnen de weilanden al weer. Ik sla een smal weggetje in dat – zo heb ik op de kaart gezien – eindigt bij de Ouse. Voor me zie ik nog meer pelgrims die de laatste wandeling van Woolf volgen. Het is morbide maar onontkoombaar. Haar zelfmoord, hier in dit prachtige landschap, vormt een sterk contract met haar levendige persoonlijkheid en de manier waarop ze van het leven genoot, zoals in haar brieven en dagboeken valt te lezen. Ze kon vlijmscherp over anderen oordelen maar ook zichzelf genadeloos analyseren. ‘One is in truth,’ noteerde ze in 1926 in haar dagboek, ‘an elderly dowdy fussy ugly incompetent woman, vain, chattering and futile.’ Zo mijmer ik wat door over haar laatste tocht. Mensen die haar zagen dachten dat ze weer een van haar lange wandelingen ging maken.
Het duurt ongeveer een half uur voor ik bij de Ouse aankom. De andere wandelaars zijn verdwenen. De Ouse is geen kalme rivier, de stroming is sterk. Toen Leonard haar ging zoeken, nadat hij haar afscheidsbrief had gelezen, vond hij op de oever alleen haar wandelstok. Virginia Woolf hield van de zee, van de golven op het strand van Cornwall, waarvan ze de eindeloze variatie aan kleuren vaak heeft beschreven. Deze grijze rivier moet ze afschuwelijk gevonden hebben. Doktoren en biografen hebben naderhand allemaal verklaard dat de depressies, die Woolf kwelden, tegenwoordig heel makkelijk met medicijnen onder controle te houden zouden zijn. Zelf vreesde ze haar nieuwe depressie te veel, ontstaan door de knellende oorlogsomstandigheden maar ook door het voltooien van haar laatste roman Between the Acts.
Haar wandelstok heeft Leonard Woolf weggegeven aan mensen uit Rodmell. Maar zo groot is inmiddels de faam van de schrijfster, dat die uiterst simpele stok nu in een vitrine in New York ligt. Na een paar minuten begin ik aan de terugtocht en probeer in een meer opgewekte stemming te raken. Ooit zag Woolf bij de Ouse een ijsvogeltje. ‘It flies across and across’, noteerde ze verrukt in haar dagboek, ‘very near the surface: it has a bright orange chocolate under side. And it is a tropical bird, sitting weighted on the bank.’
Je kunt ook met de trein in Rodmell komen, met een boemeltje dat van Lewes naar Seaford rijdt. Ik stap uit in Southease (niet meer dan een platform), kijk de trein achterna en ga dan te voet verder. Eerst kom ik bij een ijzeren draaibrug. Als ik er overheen loop, kan ik nog eens constateren dat de Ouse heel snel stroomt. Southease zelf is een klein en kalm dorpje. De kerk heeft een ronde toren, tamelijk uniek voor Sussex. Ik loop een tijdje aan de kant van de weg en moet hopen dat de automobilisten die voorbijjagen consideratie met een wandelaar hebben. Woolf zelf liep bijna altijd over de downs. Op de wandelbordjes van de South Downs Way zie je de namen die ook in haar dagboek voorkomen: Telscombe, Piddinghoe, Tarring Neville. Ze hield van de enorme ruimte, het intense licht en het uitzicht op zee. ‘Then, I am extremely happy walking on the downs’, schreef ze. ‘I like to have space to take my mind out in.’ Op de downs dacht ze na over haar werk en observeerde de natuur. Ze liep in weer en wind, meestal twee, drie uur per dag en kroop onder prikkeldraad door als dat haar de weg versperde. Na haar wandelingen noteerde ze wat ze onderweg had gezien. ‘The look of things has a great power over me. Even now, I have to watch the rooks beating up against the wind, which is high.’
Ik koop opnieuw een kaartje voor Monk’s House. Het is een voordeel als je schoonfamilie in Lewis woont, je kunt zomaar op een zaterdagmiddag nog eens teruggaan, zonder alles van tevoren te plannen. In de tussenliggende dagen heb ik Charleston Farmhouse bezocht, waar de zuster van Woolf met haar familie woonde. Dat legendarische huis is ook zorgvuldig geconserveerd, maar in tegenstelling tot Monk’s House is veel van de sfeer behouden. Woolf was minder visueel ingesteld dan haar zuster, misschien is dat de reden dat Charleston meer een geheel vormt? Voor een tekst zocht ze eindeloos naar het juiste woord, maar of stoelen en behang bij elkaar pasten interesseerde Woolf niet, dat merk je in Monk´s House heel duidelijk.
Er zijn nog meer bezoekers dan de vorige keer en ik voel er niets voor om met tien anderen naar haar bed of keukenkastje te staren. Misschien willen al die andere bezoekers het huis ook wel helemaal voor zichzelf hebben. Ik kijk wat rond bij het schrijfhuisje en loop over het grasveld waar de Woolfs in de namiddag bowls speelden. In een binnentuin vind ik de twee gebeeldhouwde koppen van Leonard en Virginia, elk op een laag muurtje gemonteerd. Vroeger stonden hier twee bomen, die naar hen genoemd waren, maar die zijn allang gesneuveld. Stephen Tomlin heeft Virginia uitgebeeld als een elegante, kwetsbare vrouw. Haar gezicht krijgt door de enorm grote ogen een tragische uitdrukking. Ze hield er niet van om bekeken of gefotografeerd te worden, waardoor ze bijna altijd een gejaagde blik heeft op de foto’s die van haar bewaard zijn. Er zijn maar enkele waar ze vrolijk en ontspannen op staat, maar die zie je zelden omdat ze niet corresponderen met het tragische beeld dat veel mensen nog van Woolf hebben. Bij haar beeld in de tuin zie je dit ook weer, op een plaquette staan de laatste regels van The Waves (‘Against you I will fling myself unvanquished and unyielding, O Death!’). Volgens mij zou je haar meer recht doen door een citaat dat haar creativiteit en levendigheid benadrukt. Waarom niet een mooie poëtische beschrijving van de tuin bij avond gebruikt? ‘We were watching the downs draw back into fine darkness after they had burnt like solid emerald all day. Now that was being softly finely veiled. And the white owl was crossing to fetch mice from the marsh.’
Na haar dood bleef Leonard in Monk’s House wonen. Hij liet het huis na aan zijn grote vriendin Trekkie Parsons, die het verkocht aan de universiteit van Sussex. De universiteit verhuurde het vervolgens aan professoren en gastdocenten. Zo is Saul Bellow, die wellicht hoopte op inspiratie, ook nog eens naar Rodmell afgereisd, maar hij vond Monk’s House zo primitief dat hij snel weer de benen nam. In 1980 – Woolf werd steeds bekender – heeft de National Trust het huis overgenomen. De twee kamers (en keuken) die je nu kunt bezoeken zijn door hen zorgvuldig in oude staat teruggebracht. Monk’s House heeft veel meer kamers, maar de rest van het huis mag je niet in. Ik heb op een website de advertentie gezien voor de flat die je op de bovenverdieping kunt huren en die van alle moderne gemakken is voorzien! In de gids die je kunt kopen wordt hier niet over gerept, ook niet dat veel van de oorspronkelijke spullen van de Woolfs al lang verdwenen waren toen de Trust het huis overnam. Ze moesten het huis eigenlijk helemaal opnieuw inrichten. Zeer waarschijnlijk heeft Woolf zelf nooit in dat koude bed geslapen en is het gewoon dertig jaar geleden in Lewes gekocht. Het schrijfhuisje van Woolf was oorspronkelijk veel kleiner, Leonard heeft het in de jaren vijftig uitgebouwd, zodat die nieuwe vriendin er kon schilderen. Zo zal die schrijftafel ook wel ergens opgescharreld zijn. En die rare bloemenkas, die tegen het huis is aangebouwd is? Ook uit later tijd. Misschien blokkeert te veel kennis om de magie van Monk’s House te ondergaan?
De prachtige tuin is net zo goed een reconstructie, Caroline Zoob heeft er bijna tien jaar over gedaan om de perken, de vruchtbomen en de smalle paadjes in deze staat terug te brengen. Ze heeft over haar aanpak een boek gepubliceerd (Virginia Woolf’s Garden) waaruit blijkt dat ze zeer zorgvuldig te werk is gegaan. Strikt gesproken klopt haar titel niet, de tuin was het domein van Leonard. Virginia deed niet veel meer dan af en toe een border wieden. Ze kibbelde ook met Leonard, omdat hij zich vol overgave op de tuin stortte en daardoor Monk’s House ging beschouwen als ’the hub of the world’. Maar ze schreef ook lyrisch over de tuin:
Never has the garden been so lovely – all ablaze even now: dazzling one’s eyes with reds and pinks and purples and mauves […] Often we go out after dinner to see these sights.
De bezoekers komen allemaal met hetzelfde doel naar Monk’s House, uit bewondering voor de schrijver een blik willen slaan op de plek waar ze zoveel heeft geschreven. Zo reisde Woolf zelf de Bronte’s achterna naar Haworth en bezocht ze in Frankrijk de toren van Montaigne. Na haar dood is ze jarenlang gemarginaliseerd, altijd was er wel een reden om haar werk of persoon af te kraken. Pas toen zij in Amerika en Europa als feministe werd herontdekt en men haar werk serieus begon te bestuderen, kwam er een omslag. Hoe groot haar roem is, merk je aan de bezoekers van Monk’s House: je hoort Frans, Japans, Spaans en Duits.
Hoewel Edward Albee altijd heeft volgehouden dat de naam van zijn beroemde toneelstuk geheel toevallig was gekozen, is het een feit dat Woolf bij veel mannelijke recensenten agressie opriep. Een intelligente vrouw met een eigen mening, die gedurfde romans schreef en voor de rechten van de vrouw op kwam in scherpzinnige essays – dat riep in een tijd dat de literatuur nog het domein van de man was de behoefte op haar te kleineren. Zo ongeveer het eerste wat ik over Woolf las stond in een Prismapocket over Engelse literatuur. Hierin schrijft professor Birrell (in Nijmegen notabene de leermeester van Frans Kellendonk) dat A Room of One’s Own en Three Guineas ‘niet meer dan het pleidooi van een pienter en verwend kind’ waren. Wat wist zij nu van feminisme, ‘men kan zich afvragen of mevrouw Woolf ooit in staat is geweest een knoop aan een hemd te zetten’. Uit deze regels is mijn defensieve houding ontstaan, die ik nog steeds bij de minste aanleiding aanneem als het Woolf betreft.
Terwijl ik de bezoekers beschouw die over de tuinpaden lopen en op beschaafde fluistertoon hun indrukken delen, denk ik nog even aan die arme geïntimideerde professor Birrell. Hij heeft zijn uitspraken nooit herroepen, ook al leefde hij lang genoeg om in haar dagboeken te lezen dat Woolf uiterst praktisch kon zijn. Ze hielp mee bij het onderhoud van de tuin, bakte geregeld brood en sausde zelf de wanden van haar kamer. En, o onvermoed feit, ze pakte de wc aan. ‘I have spent the whole afternoon yellow washing the earth closet. I can now reckon up my labours: dining room distempered and cleaned, bannisters painted blue, stairs white, and now the earth closet.’
Monk’s House gaat sluiten en heel beschaafd worden we gemaand de tuin te verlaten. Ik kijk nog een keer naar het schrijfhuisje en loer toch nog even door het raam van haar slaapkamer. Een citaat uit Mrs Dalloway komt bij mij op, maar het is genoeg geweest. Zou de huurder van het appartement zo meteen tevoorschijn komen? Het is een mooie avond. Zal hij comfortabele moderne stoelen buitenzetten en dan een fles witte wijn opentrekken? Als ik weer op straat sta, voel ik gelukkig geen aandrang nog een keer die fatale wandeling naar de Ouse te maken. Iets verderop in het dorp zie ik dat de pub open is, met nog een klein stukje terras in de zon.
Doeke Sijens
Monk’s House, Rodmell, Lewes, East Sussex.
Foto Monk’s House: Oliver Mallinson Lewis, CC BY-SA 2.0, via Wikipedia.
Foto Slaapkamer Woolf: John Cummings, CC BY-SA 3.0 via Wikipedia.
Deze reportage verscheen eerder in De wandelstok van Virginia Woolf.


Wat een fijn en herkenbaar artikel. Net in Sissinghurst geweest. En lees Geheim Londen. Observaties van een bezoek aan een beroemde locatie in de U.K. en in speciaal aan Woolf. Blijf schrijven. Het is erg persoonlijk maar raakt aan waar het over gaat in de zoektocht naar …het is altijd een momentopname. Al ga je vijf keer.