Recensie: Anka Hashin – Poging tot fiasco
‘Vlees noch vis’
Over het debuut Schrikkeljaar van Anka Hashin uit 2022 schreef ik destijds voor Tzum dat het voelt alsof er iemand met zevenmijlslaarzen door de verhalen wandelt. De personages zijn meer karikaturen of sprookjesfiguren dan mensen van vlees en bloed en er is weinig ruimte voor nuance en fijnzinnigheid. Omslagen blazen vaak hoog van de toren, merkte ik op over de verwachtingen die op het omslag werden opgewekt doordat er grootmeesters uit de Russische literatuur werden genoemd. Op het omslag van Hashins nieuwe verhalenbundel, Poging tot fiasco, worden die grootmeesters niet meer genoemd. Wel wordt er beweerd dat Hashin in deze nieuwe bundel nog een stap verder gaat en dat haar unieke talent definitief bevestigd wordt. Welke stap verder dat precies is, is onduidelijk. In elk geval is deze stap opnieuw met zevenmijlslaarzen genomen.
Met zulke grote stappers kun je alleen maar ‘zo ongeveer’ op de juiste plek landen, en die slordigheid komt in deze nieuwe verhalen steeds meer bovendrijven. De titel van de bundel wringt al. ‘Als hopeloze idealisten laat Anka Hashin hen op het randje van het noodlot dansen, gedoemd om met hernieuwde moed te stranden in het fiasco’, staat op de achterflap. Natuurlijk kan een poging uitlopen op een fiasco en daarvan is in de verhalen inderdaad veelal sprake, maar de titel suggereert dat de personages daar al doelbewust op aansturen, dat zij dus een poging doen om dit fiasco te bereiken, maar dat is niet echt het geval. Natuurlijk kan een titel ironisch of zelfs sarcastisch zijn, zoals Het behouden huis van Willem Frederik Hermans, maar dan had het fiasco niet genoemd moeten worden. Het is een zeldzaam lelijke titel die de lading niet dekt. Past die wellicht bij de omgekeerde kakkerlak op het bord, op de coverfoto? Die kakkerlak zal er alles aan doen om weer op zijn pootjes terecht te komen, ook al vermoeden wij als toeschouwer dat dat niet gaat lukken. Die mislukking zit dus ook hier nog niet in de poging verscholen, tenzij je geen onderscheid meer wilt maken tussen toeschouwer en slachtoffer.
De personages uit de bundel zijn net als die uit Schrikkeljaar nog steeds karikaturen, of sprookjesfiguren. Misschien zelfs figuren uit een slechte mop? Het verhaal ‘Nosor’ begint als volgt: ‘Julius de boekhouder had de saaiste neus van de wereld. Ordinair, armoedig, nietszeggend. Vlees noch vis. Hij had hem geërfd van zijn grootvader van moederskant, over wie weinig bekend was, behalve dat de man schipper was, een fervent katholiek en alcoholist die zijn kinderen en vrouw met intens genoegen mishandelde.’ De grap is dat uitgerekend deze neus zijn reukfunctie moet ontberen. Grap? Nou ja, ik vermoed dat dit al een grap is, maar het verhaal is pas net begonnen. Via allerlei onwaarschijnlijkheden belandt de lezer aan het eind van het verhaal in de echte grap, die je eigenlijk ook al voelde aankomen, maar waarvan je hoopte dat het zo’n slechte grap niet zou zijn. De neus mag dan ‘vlees noch vis’ zijn. De stijl waarin het verhaal geschreven is, zou ook zo omschreven kunnen worden: ‘De neus trok zich op, en kwam naar voren. Zijn neusgaten klapperden als scheepszeilen.’ Het is het allemaal ‘net niet’, of misschien zelfs ‘helemaal niet’.
Stereotypering werkt nog steeds bij cabaret, maar alleen als je de figuren herkent uit je omgeving of uit de samenleving in het algemeen. Bij de figuren uit deze verhalen vraag je je af uit welke wereld ze komen. Wie herkent nog de boekhouder die de serveerster in haar vlezige achterwerk knijpt en wie kan daar nog iets mee? De typeringen zijn niet meer grappig, al realiseer ik me dat humor een zeer subjectieve beleving is:
‘Vuile hufter,’ gooide een dikkerd uit een Volvo falsetto tegen Schwylja aan.
‘Hondenkop! Gribus!’ riep een miniatuurperoxideblondje met een onverwacht schorre stem.
De deur van een wit bestelbusje ging halfopen. Maar er kwam niemand uit:
‘Haal je verroeste reet van de weg…’ – en weer dicht.
‘Omrijden!’ Kort maar duidelijk wees Schwylja naar de vluchtstrook. ‘Omrijden!’
Normaliter zou hij slechts de filosofische stoïcijn uithangen.
De verhalen doen denken aan zeventiende-eeuwse kluchten of zelfs middeleeuwse sotternieën, waarmee de serieuze stukken werden afgewisseld om even ongegeneerd te kunnen lachen of te ontspannen: ordinaire vecht- en scheldpartijen, kijvende echtparen, of de dochter van een paardensmid, die maar niet aan de man kan komen. Je haalt je schouders op en denkt: het is niet meer grappig, en dat heeft niet zozeer te maken met de grofheid van de humor, want die kan ook in deze eeuw nog treffen, maar meer met de maatschappij, met de wereld die is veranderd. Ware humor zit in de tragiek, maar dan wel in de tragiek van deze wereld, deze tijd.
Dietske Geerlings
Anka Hashin – Poging tot fiasco. Prometheus, Amsterdam. 264 blz. € 22,99.


Met toenemende verwondering heb ik de recensie van Anka Hashin’s Poging tot fiasco van Dietske Geerlings gelezen en mij afgevraagd wat de betekenis of de bedoeling is van zo’n onaangename bespreking van een bundel literaire verhalen. Ook ik heb die bundel gelezen, evenals het vorige boek van Hashin, en je kunt en mag er alles van vinden, maar als recensent mag je wat mij betreft ook je eigen frustratie of wat het ook is even parkeren als je een boek recenseert. Bij herlezing valt op dat Geerlings haar ergernis over de verhalen van Hashin op een bijna kinderlijke wijze formuleert. De redenering waarop de titel van het boek belachelijk wordt gemaakt is daar een goed voorbeeld van. ‘Natuurlijk kan een poging uitlopen op een fiasco en daarvan is in de verhalen inderdaad veelal sprake, maar de titel suggereert dat de personages daar al doelbewust op aansturen, dat zij dus een poging doen om dit fiasco te bereiken, maar dat is niet echt het geval’. Dat is ‘natuurlijk’ een onzinnige redenering: je hebt een titel en je hebt de verhalen. In Biesheuvels In de bovenkooi spelen toch ook niet alle verhalen zich af in een bovenkooi? Geerlings noemt het zelfs ‘een zeldzaam lelijke titel die de lading niet dekt’ – de ergernis druipt er vanaf. Ik krijg bijna te doen met de recensent ipv de schrijver, en zou mijn arm om Dietske Geerlings willen leggen en vragen: maar Dietske, wat is er aan de hand? Kan ik je helpen? Het is toch een absurde titel, want wie onderneemt er nou bewust een poging tot een mislukking of fiasco? Denk toch een Boven het dal van Nescio, ook zo’n malle titel voor een boek, dat zich immers volledig op het vlakke land afspeelt?
Zo dendert de recensie maar door, dit is niet goed en dat is niet goed, terwijl ik de verhalen toch echt met een glimlach en soms een traan van ontroering heb gelezen. Sommige verhalen doen mij inderdaad, zoals Geerlings schrijft, denken aan zeventiende-eeuwse kluchten – maar wat ik dan zie als kwaliteit wordt in deze bozige recensie juist negatief bedoeld. De slotzin (van de recensie, niet de prachtige verhalenbundel van Hashin) zegt eigenlijk alles: ‘Ware humor zit in de tragiek, maar dan wel in de tragiek van deze wereld, deze tijd.’ Waar Dietske Geerlings deze wijsheid heeft opgedaan (een tegeltjeswijsheid die ik over het hoofd heb gezien) is mij een raadsel. Ware humor is van alle tijden. Een deel van de schoonheid van goede literatuur of goede kunst is nu juist de tijdloosheid, of de tijdloze schoonheid of kracht die er uit spreekt, hoe of waar of wanneer de verhalen zich afspelen. Dat geldt voor 1001 nacht, en wat mij betreft ook voor Poging tot fiasco.