Literair Parijs

De Vlaamse journalist Dirk Leyman schreef zeven jaar geleden aan een tafeltje in een appartement nabij Père Lachaise de eerste zinnen van wat nu het vuistdikke boek is over schrijvers en filosofen die in Parijs hebben verbleven. Passage Parijs vult een hiaat. Er bestaan al stapels boeken die de link leggen tussen literatuur en Parijs maar die zijn meestal beperkter van opzet en zijn dikwijls niet in het Nederlands geschreven.

Leyman beperkt zich hoofdzakelijk tot de twintigste eeuw, maar schrijft toch ook over Baudelaire, Proust en Houellebecq – hoe kan het ook anders? Uiteraard zijn er veel Franse schrijvers die in Parijs zijn geboren of er zich zijn gaan vestigen. We lezen over Patrick Modiano, Colette, Raymond Queneau, Georges Perec en Françoise Sagan. Maar de auteur beperkt zich niet tot Franse auteurs. Hij schrijft ook over buitenlandse schrijvers die de sfeer van vrijheid in Parijs kwamen opzoeken. Zo is er een kort hoofdstuk over de Zweed August Strindberg die in Parijs een identiteitscrisis kreeg en geobsedeerd werd door alchemie en occultisme. Een meer gekend verhaal is dat van de Amerikaanse auteurs die in de jaren twintig hun toevlucht zochten in Parijs: Ernest Hemmingway, Gertrude Stein en F. Scott Fitzgerald. Aan die laatste twee wijdt Leyman geen aparte hoofdstukken – hij streeft geen volledigheid na. Later, na de Tweede Wereldoorlog, volgde de Beat-generatie: Allen Ginsberg en William Burroughs verbleven een tijd in Parijs. Ook over James Baldwin en Paul Auster schrijft Leyman boeiende hoofdstukken.

Er zijn een aantal aspecten die van Passage Parijs een onweerstaanbaar boek maken. Leyman schrijft ten eerste erg vlot en de keuze om geen voetnoten te gebruiken verhoogt de leesbaarheid. De lezer kan slechts enkele hoofdstukken uit het boek lezen over de auteurs waarmee een affiniteit bestaat. Maar Leyman schrijft zo goed en weet zijn onderwerpen zo boeiend weer te geven dat elke lezer die de eerste pagina van een hoofdstuk leest onmogelijk nog kan stoppen. Op die manier leert elke lezer iets bij en wordt hij opgezogen in een compleet nieuwe wereld. Een tweede belangrijke aantrekkingskracht van Passage Parijs ligt in het mooie evenwicht tussen ernstig essay en anekdotiek. Leyman schrijft nooit diepgravende studies – dat is niet de opzet van het boek – maar door zijn belezenheid weet hij wel interessante aspecten uit het oeuvre van een auteur te belichten. Dat wordt echter altijd aangevuld met faits divers en anekdotes. Zo krijgen we in het mooie stuk over Albert Cossery niet enkel te lezen over het thema dat zijn romans verbindt maar ook over zijn kousen-fetisjisme. Soms schrijft Leyman ook bewust niet zozeer over het werk van een auteur maar over een belangrijk aspect uit het leven van iemand tegen de achtergrond van Parijs. In het hoofdstuk over Marguerite Yourcenar legt hij de klemtoon op het feit dat ze de eerste vrouw in de Académie Française was en hoe dat heel wat beroering veroorzaakte bij intellectuelen die toentertijd openlijk en blijkbaar trots hun vrouwenhaat etaleerden. De messteek die Samuel Beckett kreeg, is dan weer een anekdote die een grote weerslag heeft gehad op zijn werk. Bewonderenswaardig is ook dat Leyman van de platgetreden paden durft af te wijken. Hij doet zijn best om Jean Rhys uit de vergetelheid te halen. En hij schrijft over Janet Flanner die stukken over Parijs schreef voor The New Yorker. En natuurlijk is er vervolgens het belangrijkste aspect van Passage Parijs: de link tussen auteur, het oeuvre en Parijs. Het lijkt er wel op dat Leyman heel Parijs heeft afgewandeld – als een echte flaneur zoals Baudelaire of Modiano – op zoek naar overblijfselen uit het leven of werk van een auteur. Hij schrijft over cafés, restaurants, straten, appartementen, hotels, parken, wijken, boekhandels en natuurlijk de passages. Aan het einde van het hoofdstuk staat dan ook telkens een ‘carnet d’adresses’ die de lezer desgewenst kan gebruiken bij het volgende uitstapje naar Parijs.

Het is alleen jammer dat een indrukwekkend boek een vormgeving krijgt die niet over de hele lijn overtuigt. Jelle Jespers – nochtans een klinkende naam in de wereld van de vormgeving – doet zijn best om voor een moderne en frisse vormgeving te zorgen. Maar hij maakt een beslissing die de leesbaarheid niet ten goede komt. Hij zet zowel titel als naam van de auteur verticaal op de kaft zodat de lezer het hoofd een kwartslag moet draaien om te weten over welk boek het gaat. Ook bij de vele bijschriften bij foto’s die in het boek zijn opgenomen past hij datzelfde principe al te vaak toe. Bovendien gebruikt hij de kleur oranje niet enkel om woorden en zinnen te accentueren maar ook om een filter over foto’s te leggen. Zo krijgt de lezer oranje foto’s te zien van Parijse scènes en worden sommige covers van boeken oranje. Dat kan als origineel worden beschouwd, maar ook als lelijk en zelfs respectloos. Gelukkig is de vormgeving nooit een doorslaggevend criterium om een boek al dan niet te lezen. Passage Parijs blijft een indrukwekkende prestatie.

Kris Velter

Dirk Leyman – Passage Parijs. In het spoor van de schrijvers. Pelckmans, Kalmthout. 720 blz. € 39,50.