Recensie: Gerrit Jan Zwier – De dwaze eilanden
De onderstaande recensie van De dwaze eilanden verscheen voor het eerst in 2003.
Ondergang van een ideaal
In de jaren zeventig had je een videoclip van de popgroep 10 CC bij het nummer ‘Dreadlock Holiday’ waarin op humoristische maar ook vernietigende wijze de draak werd gestoken met alle mooie gedachtes en dromen van idealistische blanken over het leven van de zwarte medemens op veraf gelegen tropisch eilanden. Daaraan dacht ik regelmatig toen ik de nieuwe roman De dwaze eilanden van Gerrit Jan Zwier las.
Hij vertelt het verhaal van de ambitieuze Engelse volkenkundige Brono Bishop die begin 1900 vol hooggestemde verwachtingen en idealen neerstrijkt op het eilandje Kivakiva bij Nieuw-Guinea waar hij via participerend onderzoek leven en gewoontes van de primitieve samenleving aldaar in kaart wil brengen. Hij hoopt in de voetsporen te kunnen treden van andere etnografen, droomt van belangwekkende ontdekkingen, van roem en uiteindelijk van een prestigieus hoogleraarschap in Londen.
Zwier heeft in deze roman niet een historisch verantwoord beeld van dit type onderzoek willen geven dat in het begin van de twintigste eeuw in wetenschappelijke kring hoog stond aangeschreven. Men geloofde er destijds in dat het mogelijk was een ‘primitieve’ samenleving in kaart te kunnen brengen door er zelf deel van uit te gaan maken. Beroemd en berucht op dit gebied zijn de onderzoekingen van Malinowski en Margaret Mead, waarbij bijvoorbeeld de laatste naam maakte met op lucht gebaseerde idealistische theorieën over het seksuele leven van Polynesiërs.
Zwier wilde iets anders. Hij is erin geslaagd een geestig en indringend en bij vlagen hilarisch beeld te schetsen van de manier waarop de praktijk de theorie van dit type etnografisch onderzoek inhaalde. Zijn held woont onder erbarmelijke omstandigheden op het eilandje de bevolking laat zich maar niet in de kaart kijken, hij slaagt er niet in de taal te leren, loopt van het kastje naar de muur, vereenzaamt steeds meer, krijgt maar geen zicht op de tamelijk banale omstandigheden daar en slaagt er ternauwernood in zich een dochter van het stamhoofd van het lijf te houden. Bovendien heeft hij last van concurrerende onderzoekers die hem steeds een stap voor lijken te zijn en die doodleuk flauwekulverhalen in dubieuze westerse blaadjes publiceren.
Zwier heeft met vilein plezier de ondergang van een hooggestemd ideaal willen schetsen. Hij creëerde daartoe een gekweld wetenschapper, eentje die last heeft van een enorm ego en van een niet te stillen drang om het te gaan maken in de wereld van de wetenschap. Af en toe kreeg ik het wel wat met de arme held te doen: al die ellendige mislukkingen, die misverstanden over seksuele gewoontes, die treurige omstandigheden van de bevolking die zich geweldig laat opnaaien door plaatselijke magische rituelen. En dan die strijd van de held om zijn seksuele behoeftes niet al te zeer met hem op de loop te laten gaan, al dat gedoe en gepieker over kuisheid en seksuele onthouding, Zwier geeft er een hoogst vermakelijk beeld van. Gelukkig laat hij zijn held niet helemaal vallen, al scheelt het af en toe niet veel. En dat geeft aan deze geslaagde roman een mooie tragische ondertoon.
Kees ’t Hart
Gerrit Jan Zwier – De dwaze eilanden. Atlas, Amsterdam. 238 blz.
Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 19 december 2003.
