Kijken in verknipte zielen

Sluit een vriendschap zo innig als een huwelijk, en ze zal dezelfde spanningen vertonen. In Vrienden onder elkaar (Among Friends) zet Hal Ebbott niet een echtpaar, maar twee oude kameraden centraal. De daad van een van hen stelt hun band, hun gezinnen en hun moreel besef op de proef. Een overzichtelijk verhaal en tegelijkertijd een bijna ongemakkelijk intiem drama, waarin elke interactie beladen is met jaren aan onuitgesproken gevoelens.

De vrienden in kwestie zijn Amos en Emerson. Nu horen ze allebei bij de New Yorkse bovenklasse, maar waar Emerson vanaf zijn geboorte alles meeheeft, heeft Amos zich uit ellende omhoog moeten werken. Met hun beider vrouwen en dochters gaan ze naar Emersons tweede huis. Vanaf het begin hangt er een spanning in de lucht. Deze mensen kennen elkaar zo goed dat elk gebaar en elke uitdrukking ergernis oproept. Er is nog een spanning: Emerson merkt dat Amos’ dochter Anna volwassen aan het worden is, en in tegenstelling tot zijn eigen vrouw en kind draagt ze haar vrouw-zijn met zelfverzekerde nonchalance.

De daad is impulsief, al voorbij voordat hij begonnen is. Anna zegt ‘hou op’, en kort daarop zit Emerson alweer met Amos bij de haard. Maar voor Anna begint het pas. Wanneer ze zelf in de problemen komt, biecht ze het haar ouders op. Die weten niet wat ze moeten denken. ‘Er is haar iets overkomen, dat geloof ik wel. Ze is in de war en dat vind ik heel verdrietig,’ stelt Amos’ vrouw Claire. Is dit oprechte scepsis bij het woord van een tienermeisje? Of onwil om de consequenties onder ogen te zien: dat het among friends niet veilig is, en dat hun fijne leventje niet zal kunnen blijven zoals het was.

Ebbott wisselt per hoofdstuk van perspectief en ontleedt alle personages telkens een laagje dieper. De uitzondering is Anna: we zien haar eerst door andermans ogen, dan een tijd van heel dichtbij, en na haar bekentenis verdwijnt ze naar de achtergrond, ongehoord in het drama van de grote mensen. Ebbott schrijft in korte, dromerige zinnen. Voorwerpen gedragen zich als mensen, zoals de bal die de wendingen van spelende jongens voorspelt of de warmte die een aanraking waar maakt. Soms is het pretentieus, vaak levert het bijzondere vergelijkingen op. ‘Jouw hele leven bestaat uit broodkruimels,’ bijt Emerson zijn vrouw Retsy toe. ‘De mensen kauwen, en jij eet de kruimels.’ Goedbedoeld, maar even vernietigend is Claire wanneer Amos haar vaders financiële steun aanvaardt:

Ze hield van hem om het weinige dat er gezegd hoefde te worden. Hij nam eenvoudig de juiste rol op zich, als een piccolo die weet dat hij zijn fooi op discrete wijze in ontvangst moet nemen.

‘De ware hel in dit leven is dat iedereen zijn redenen heeft,’ luidt het motto. De schrijver onderzoekt die redenen achter elk woord en gevoel. Als Retsy – die van de broodkruimels – onzeker is, komt dat doordat haar moeder haar eens vertelde ‘Je bent te saai om ooit echt gemeen te zijn.’ Als Emerson twijfels heeft bij die onzekerheid, is het omdat hij haar altijd meteen in slaap ziet vallen terwijl hij ligt te malen. Dat Claire gekwetst is door Amos’ lof voor hun dochter is omdat ze er kritiek op haar liefde voor Anna in leest. Waarin ze geen ongelijk heeft, want voor Amos’ gevoel koestert Claire ‘de nietszeggende liefde die je voelt voor een dak als het hoost: het doet er nauwelijks toe of de balken van dit of dat soort hout gemaakt zijn.’

Iedereen heeft zijn redenen, maar juist bij de sleutelmomenten in deze roman valt over de motieven te twisten. Allereerst Emersons vergrijp. ‘Het heeft niet het gewicht van een keuze. Het is eerder een proef, een avontuur. Kan hij het: dat is de vraag.’ Dat klinkt als een uiting van macht – die van een gevestigd man over een te zelfverzekerd meisje. Misschien is het ook onmacht. Projecteert hij latente gevoelens – woede en/of liefde – voor Amos op diens dochter? Een scène waarin Amos in de badkamer Emersons wond dept zit er vast niet voor niets in. In het echt werkt de psychologie waarschijnlijk niet zo, in fictie vaak wel.

Moeilijker te geloven is de reactie van de andere volwassenen. Is het voor succesvolle, liefhebbende ouders uit New York, een arts en een therapeut nota bene, überhaupt denkbaar om Anna’s beschuldiging naast zich neer te leggen? Wellicht speelt dit alles zich af in een duister pre-metoo-tijdperk. Zo niet, dan is de conclusie dat deze mensen niet deugen. Van Emerson en Retsy geloof ik dat direct, maar van Claire slechts ten dele, en bij wat we lezen over Amos past het gewoon niet.

Dat brengt ons bij de fundamenteelste vraag: waarom hebben deze klootzak en deze goede, maar niet naïeve man elkaar nodig? Ebbott blijft proberen het uit te leggen. Zo waren er wel honderd mensen op Emersons verjaardag, maar ‘dat waren niet meer dan objecten op de planken in zijn huis – terwijl: elke muur was Amos.’ Prachtig gezegd, maar de twee lijken iets in elkaar te vinden, een vermeende oprechtheid, wat ik bij geen van beiden zie.

Een lastige paradox: hoe grondig elk element ook psychologisch onderbouwd is, het geheel klopt ergens niet. Misschien laat het me daarom niet los – het heeft net dat onvolmaakte randje waar je op door blijft kauwen. Daarin lijkt Vrienden onder elkaar op een oude vriendschap: je kent de zwaktes van de ander, en toch blijf je van elkaar leren.

Tobias Wijvekate

Hal Ebbott – Vrienden onder elkaar. Uit het Engels vertaald door Auke Leistra. De Bezige Bij, Amsterdam. 336 blz. € 24,99.