Recensie: Irene Solà – Ik zing en de berg danst
De vele stemmen van de bergen
Al in het eerste hoofdstuk van Ik zing en de berg danst, de tweede roman van de Catalaanse schrijfster Irene Solà (1990), slaat het noodlot toe. In de onherbergzame Pyreneeën wordt Domènec overvallen door noodweer, door de bliksem getroffen en sterft hij ter plekke. Hij laat een vrouw, Sió, en twee kinderen, Hilari en Mia, achter. Een dramatische gebeurtenis die vooral zo bijzonder is, omdat hij verteld wordt door het overtrekkende noodweer. Het is de eerste van een veelheid aan stemmen die deze haast poëtische roman over het leven in de bergen vertellen. Sommige zijn zwaarmoedig, andere ronduit grappig, zoals het korte hoofdstuk vanuit het perspectief van de hond Lluna. Natuurlijk horen we Sió, Mia en Hilari en het reuzenkind Jaume die bevriend is met de andere twee kinderen en die bij een tragisch jachtincident Hilari doodschiet. Maar we horen bijvoorbeeld ook de beer, de paddenstoelen en de mythische watervrouwen. En iedere verteller heeft een geheel eigen stem, wat de roman een stilistische rijkdom geeft, waar een vertaler alleen maar van kan dromen (aldus Interpret Magazine, en die kunnen het weten).
Een letterlijk in het oog springend hoofdstuk bestaat uit schetsen van het ontstaan van de Pyreneeën, miljoenen jaren geleden. Een ander bevat gedichten die Hilari in zijn hoofd maakte zonder ze ooit op te schrijven. Nu staan ze hier met een korte toelichting, niet om te analyseren, maar om ze min of meer in de geschiedenis te plaatsen, wat onder andere tot vervreemdende observaties leidt als ‘Het volgende gedicht schreef ik voor de reebok die ontsnapte op de dag dat Jaume me doodde zonder opzet’. Hilari’s ode aan de poëzie is daarbij zowel oprecht als naïef, beeldend als onbevangen in zijn taal:
Poëzie heeft alles. Poëzie heeft schoonheid, ze heeft zuiverheid, ze heeft muziek, de heeft beelden, ze heeft het gesproken woord, ze heeft vrijheid en ze heeft het vermogen te ontroeren en je een glimp van de oneindigheid te laten zien. Van gene zijde. De oneindigheid die niet op Aarde en ook niet in de Hemel is. De oneindigheid binnen ons allemaal. Als een raam boven in het hoofd, waarvan we niet eens wisten dat het er was, en dat de stem van de dichter een beetje openzet, een beetje, en daarboven, door die kier, vang je een glimp van de oneindigheid op.
Onthullend is ook het hoofdstuk ‘Het tafereel’ waarin het perspectief ligt bij een bezoeker van buiten de gemeenschap, dat een mooie antithese vormt met de verhalen van de streek. Hij put zich uit in toeristische feitjes en is verontwaardigd dat de slagerij gesloten is, (‘de slager waar ik worst wil kopen, echte worst, zoals worst hoort te zijn, niet zoals de worst die ze in Barcelona verkopen’). Iedereen is naar de begrafenis van Hilari, dus ook de bakker en de koffiebar zijn dicht (‘Godverdorie, zeg, dat is klote’).
Wat deze deze vertaling, elke vertaling, niet goed mee kan geven is een ander vervreemdend effect dat in de oorspronkelijke uitgave optreedt als het boek na acht hoofdstukken in het Catalaans plotseling in het Spaans begint. De oostkant van de Pyreneeën, waar alles zich afspeelt, heeft immers ook zijn plaats in de grotere geschiedenis van de Spaanse Burgeroorlog, toen zowel nationalisten, republikeinen als Italiaanse bommenwerpers de vlucht- en smokkelroute naar Frankrijk onveilig maakten. De verteller is Eva, een meisje dat bij een bombardement haar moeder en een been heeft verloren.
Hoewel Irene Solà zelf Catalaanse is, vormden de Pyreneeën tamelijk onbekend terrein voor haar. Ze komt uit een dorp op het relatief vlakke Catalaanse platteland en schreef Ik zing en de berg danst toen ze in Londen woonde. Ze zocht naar eigen zeggen juist een streek die ze niet zo goed kende, om onbevangen onderzoek te kunnen doen naar de geschiedenis, de verhalen en de mythes van het landschap. Hoewel de geschiedenis van Sío, Hilari, Mia en Jaume een centrale rol speelt in de roman, zijn de stemmen van flora, fauna, verleden en mythologie minstens zo belangrijk om het berglandschap te leren kennen.
Solà is beeldend kunstenaar met exposities in onder andere Barcelona en Londen, dichter (Bèstia, 2012) en romancier. Ik zing en de berg danst is in 2020 bekroond met de Literatuurprijs van de Europese Unie. De vertaling van haar laatste roman, Ik gaf je ogen en je keek in de duisternis, staat op de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2025.
Jan de Jong
Irene Solà – Ik zing en de berg danst. Uit het Catalaans vertaald door Frans Oosterholt. Nobelman, Groningen. 182 blz. € 22,95. (De roman is momenteel uitverkocht)
