Communist, afvallige, schrijver

Alles wat voorbij is, zo noemde Manès Sperber zijn driedelige mémoires. De eerste twee delen, De waterdragers van God, en De vergeefse waarschuwing, verschenen in 2022 en 2024. Het derde deel, Voorbij de vergetelheid, net als de eerste twee delen vertaald door Jan Bert Kanon, completeert nu de vertaling van het drieluik.

In het eerste deel beschrijft Sperber zijn jeugdjaren in de grote joodse gemeenschap van het stadje Zablotow – nu Oekraïns, maar toen nog behorend bij het keizerlijke en koninklijke Oostenrijk-Hongarije – en in het Wenen van kort na de Eerste Wereldoorlog. In het tweede deel voerden zijn linkse politieke activisme én zijn psychologische werk hem naar Berlijn. Daar maakte hij Hitlers machtsovername mee en beleefde hij de teleurstellende ervaring tijdens een massa-arrestatie van linkse antifascisten bespuugd en geslagen te worden door Berlijnse proletariërs die van de SA de vrije hand kregen om zich te vermaken met het treiteren van de arrestanten.

Voorbij de vergetelheid, het derde deel, begint met Sperbers treinreis van Berlijn naar Praag in 1933, met op zak zijn bewijs van ontslag uit de gevangenis. Eenmaal buiten Duitsland pakte hij snel de draad weer op, lezingen en discussiebijeenkomsten over psychologie combinerend met politiek werk in opdracht van de communistische partij, werk dat hem naar Kroatië en naar Parijs voerde. In Parijs had hij intensief contact met Willi Münzenberg, partijman en organisatorisch genie, die met het opzetten van mantelorganisaties de politieke invloed van de communisten in West-Europa vele malen groter maakt dat hun aantal rechtvaardigde. Mantelorganisaties waren organisaties, meest met ideële doelstellingen en daarom maatschappelijk vaak breed gesteund, die naar buiten toe niets met communisme te maken leken te hebben, maar waarbinnen de bestuurlijke machtsposities wel degelijk door communisten werden bezet. Bestaande organisaties werden ‘overgenomen’ door communisten naar bestuursfuncties te manoeuvreren, andere werden volgens die formule opgericht. De communistische bestuurders werden geacht het doen en laten van ‘hun’ mantelorganisatie te laten sporen met de eisen en verlangens van Moskou.

De communistische versie van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid luidde: die Partei hat immer recht, de partij heeft altijd gelijk. Gegeven het communistische principe van ‘democratisch centralisme’ – de top beslist, ieder daaronder volgt – kon dat niet anders betekenen dan dat partijleiding (partijleider) altijd gelijk had. Sperbers twijfels aan de partijlijn werden in de loop van de jaren 1930 steeds sterker. Moskou eiste van de communistische partijen in West- en Centraal-Europa en met name in Duitsland vanaf de laten jaren 1920 maximale inspanningen om sociaaldemocratische partijen te bestrijden. Samenwerking van communisten en sociaaldemocraten om één front te vormen tegen fascistische partijen en bewegingen was lang taboe voor communisten. Of dergelijke samenwerking Hitler van de macht afgehouden zou hebben, zullen we nooit weten, maar dat het blokkeren ervan oppositie tegen de NSDAP ernstig verzwakte, dat is zeker. Sperber besefte dat destijds al.

In Parijs ontmoette Sperber Arthur Koestler, toen nog communist, die zijn twijfels deelde. Evenals Münzenberg trouwens. Het optreden van de Sovjet-Unie in de Spaanse burgeroorlog – dat vooral jagen was op de Trotskisten die aan Republikeinse kant meevochten – versterkte die twijfels. Toen daar nog de Moskouse showprocessen bij kwamen, met hun volstrekt ridicule aanklachten en zelfbeschuldigingen, stapten Sperber en Koestler uit de partij, een beslissing met vergaande consequenties op persoonlijke vlak, vergelijkbaar met die van excommunicatie: ze zouden ‘politieke kadavers’ worden. Communisme mocht dan atheïstisch zijn, het communisme van de partij die altijd gelijk heeft was in vrijwel elk opzicht een geloof en een orthodox geloof bovendien, gefundeerd op dogma’s en met een onwrikbaar wereldbeeld waar messianisme niet vreemd aan leek te zijn. Sperber was op jonge leeftijd al de strijd aangegaan met het geloof en de bijbehorende leefregels van het orthodoxe, chassidische jodendom en atheïst geworden. Toen hij een paar jaar later het communisme omarmde, was dat ideologisch nog niet versteend tot de Stalinistische monoliet die het vanaf eind jaren 1920 werd. Die verstening moet juist hij toch al snel hebben ingezien en dus kun je je verbazen over het feit dat hij nog zeven, acht jaar nodig had om te breken met de communistische kerk.

Zij die na de showprocessen lid bleven en de partijlijn en de vonnissen verdedigden, meden de afvalligen, maar waren doodsbang dat Moskou ze zou oproepen voor instructies. Terecht overigens, want gehoorzamen aan zo’n oproep zou voor velen de gang naar executie betekenen. Münzenberger verliet de partij pas in 1939, nadat hij op een dood partijspoor was gerangeerd. Hij werd in Frankrijk geïnterneerd toen de oorlog uitbrak en stierf in juni 1940, vermoedelijk vermoord door een NKVD-agent. (Inderdaad, Poetin zet met zijn politieke moorden op ‘afvalligen’ in Berlijn, Wenen, Cambridge, Londen en waar niet al, een oude Sovjet-traditie voort. Dit terzijde). Koestler overleefde en schreef de klassieker Nacht in de middag over hoe de staatsterreur in de Sovjet-Unie in de late jaren 1930 een partijgetrouwe communist tot verraad en verloochening brengt van de waarheid, van zijn vrienden en kameraden, van alles waar hij in geloofde en uiteindelijk van zichzelf.

Sperber overleefde ook. Hij nam dienst in het Vreemdelingenlegioen, om tegen de Wehrmacht en de nazi’s te vechten. Toen de Duitse invasie kwam en het onder de voet gelopen Franse leger capituleerde, kwam hij terecht in Vichy-Frankrijk. Maar toen het collaborerende Franse gezag gehoor gaf aan de Duitse wens tot vervolging en uitlevering van de joden op zijn grondgebied, vluchtte hij met zijn vrouw en zoon naar Zwitserland. Waar hij werd geïnterneerd in een kamp dat nog beroerder was dan het Franse. Na de oorlog trok hij naar Parijs, waar hij dankzij André Malraux aan de slag kon als redacteur-uitgever van vertaalde Duitse literatuur en in de Franse bezettingszone in Duitsland als tijdschriftuitgever en -redacteur.

In Duitsland en Wenen voelde hij zich echter niet langer op zijn plaats. Daar had men zich snel getransformeerd tot slachtoffer van de oorlog, stelde hij vast. Sommigen durfden openlijk te beweren dat de joden het in hun getto’s en kampen al met al met minder slecht hadden gehad dan de Duitse soldaten in de Russische winters …. Nou ja, afgezien dan van Auschwitz …. Sperber ging op zijn drieënveertigste eindelijk doen wat hij al zijn hele leven al had willen doen: schrijven. Romans schrijven. Ruim vijfentwintig jaar lang deed hij niets anders. In Voorbij de vergetelheid nemen die jaren minder dan tien bladzijden in. Als schrijver beleef je weliswaar veel, heel veel, maar dat doe je in je hoofd, zittend aan je schrijftafel. Wie wil weten wat zich in dat hoofd afspeelde, moet die romans gaan lezen.

Sperber, geboren in 1905, overleed in 1984. De jaren van 1910 tot en met die van 1950, daar gaat het om in deze herinneringen. Dat zijn de jaren van de wereldoorlogen, van de grote ideologieën en hun botsingen en van de pogingen om miljoenen mensen met behulp van dwangarbeid en industriële middelen te vernietigen. Sperber doorzag scherper dan vrijwel ieder ander wat er gebeurde en waartoe dat zou leiden. Dat maakt deze mémoires zonder meer al lezenswaardig genoeg, maar daar komt bij dat hij kon schrijven en de lezer dankzij zijn oog, zijn psychologisch geoefende oog, voor de mensen en het menselijke om hem heen, kennis laat maken met vele hoogst interessante tijdgenoten.

Hans van der Heijde

Manès Sperber, Voorbij de vergetelheid. Vertaald door Jan Bert Kanon. Van Maaskant Haun, Amsterdam. 358 blz. € 26,-.