Zand en zee en dromen

Er verschijnt in de hoek van de jeugdpoëzie niet zo heel veel, maar als er wat verschijnt dan zijn dat meestal mooi uitgegeven, gebonden en geïllustreerde dichtbundel in kleur. Dichters als Ted van Lieshout en Edward van de Vendel hebben een standaard neergezet, waardoor je als dichter niet meer met lullig, kleurloos paperbackje aan komen kakken. De zee is bijna alles van Marco Kunst is ook voorbeeldig uitgegeven met illustraties van Jeska Verstegen die geen ‘plaatje bij een praatje’ vormen. De gedichten hebben de zee als thema, dus is de overwegende kleur blauw.

Alle reden dus om de vlag uit te steken. Kunst gebruikt verschillende perspectieven, die kunnen variëren van een kleine jongen die met zijn opa naar naar zee gaat. De eerste strofe vanuit de jongen luidt:

We staan bij het water,
mijn opa en ik.
Hij is van vroeger
en ik ben van later.
Opa is stil, hij is niet zo’n prater,
we staan daar gewoon
– mijn vader zijn zoon –
mijn opa en ik.

Later in de bundel zie je een wandeling aan zee beschreven vanuit een vader die zijn dochter wil beschermen voor alles wat haar in de toekomst kan overkomen (de tekening van Verstegen stuurt me richting vader en dochter, maar het gedicht is algemener). De tweede strofe luidt:

Mijn jas om je smalle schouders,
jouw ogen groot, mijn rug gekromd
tegen de wind, ik rilde, lot van ouders,
bang voor wat jou ooit, misschien,
gewoon maar even naar het strand,
schelpen zoeken, banjeren,
zand en zee en dromen
van de verre overkant.

Dromen, verlangen, weemoed zelfs; de zee roept van alles op in ieder geval grote gevoelens. Het zijn vooral emoties die meer horen bij volwassenen en jongeren, minder bij kinderen. Ik moet zeggen dat de gedichten waar er wat gespeeld wordt met het eindrijm en de gedichten waar het eindrijm grotendeels weggelaten wordt, me meer bevallen dan de gedichten waarbij consequent eindrijm wordt gebruikt, die soms nogal gekunstelde constructies opleveren:

Er ligt een land, vergeten,
ver voorbij de oude zee.
Een land van kan niet weten,
niet meer bang zijn, nooit meer, nee.

En als je rijm gebruikt dan heb je, bijvoorbeeld, met zand en strand beperkte mogelijkheden. Ik kwam in de bundel de volgende eindrijmen tegen: stranden/landen, strand/kant, zand/land, zand/rand, zand/rand, strand/eb- en vloedverband, zand/strand/land/waterkant, land/rafelrand, zand/strand, eiland/strand/strand, vasteland/strand, strand/schelpenzand, zand/land, strand/zand, zand/waterkant, hand/waterkant, strand/overkant, zonnebrand/zand, zand/gestrand, strand/zonnebrand. Je wordt op den duur niet meer verrast door die eindrijmen. Woordcombinaties ‘Krijsende meeuwen, beukende golven’ zijn daarnaast niet erg origineel en als ‘een misthoorn loeit als een dier in de nacht’ dan zit ik ook niet op het puntje van mijn stoel. Maar als een gedicht begint met de regels ‘Het liefdesleven van de sprot / verloopt meestal nogal rot.’ dan ben ik wel benieuwd naar de rest omdat daar een onverwacht vrolijke invalshoek gekozen is. De zee is bijna alles doet je vooral verlangen naar een volgende bundel waarbij het Rijmwoordenboek achterwege is gelaten of een bundel waarin Kunst lekker voor de vuist weg rijmt. Los daarvan: toch is het fijn dat er zulke mooi uitgegeven bundels op de markt verschijnen.

Coen Peppelenbos

Marco Kunst – De zee is bijna alles. Met illustraties van Jeska Verstegen. Lemniscaat, Amsterdam. 46 blz. € 16,99.