Van oude schrijvers en dingen die voorbijgaan

Dit najaar verschijnt een nummer van het literaire tijdschrift De Revisor waarin auteurs een zelfportret van zichzelf hebben getekend. Dat is geen nieuw idee, want in 1977 vroeg het blad hetzelfde aan de schrijvers die toen in de schijnwerpers stonden. Het merendeel is inmiddels overleden: Marga Minco, Willem Frederik Hermans, Andreas Burnier, Harry Mulisch, Doeschka Meijsing, Gerrit Krol, Rutger Kopland, Frans Kellendonk en Gerrit Komrij om er maar een paar te noemen. Gelukkig zijn er ook nog een paar schrijvers van toen in leven. Thomas Heerma van Voss interviewde ze voor de site van het Literatuurmuseum en die interviews zijn nu gebundeld in De prullenmand heeft veel plezier aan mij (naar een uitspraak van Judith Herzberg).

De zelfportretten uit 1977 vormen een mooie insteek om terug te kijken op schrijverscarrières die inmiddels een halve eeuw verder zijn. Voor Cees Nooteboom kwam het grote internationale succes pas later, toen zijn zijn boeken in Duitsland bestsellers werden. Heerma van Voss interviewt de schrijver op Menorca waar de inmiddels 92-jarige schrijver woont. Hij lijdt aan Parkinson, zit in een rolstoel en schrijft niet echt meer. De laatste keer dat hij zijn werkkamer binnenliep, zei hij: ‘Belachelijk.’ In Duitsland wordt zijn verzamelde werk uitgegeven, completer dan in Nederland. Als het glas whisky van Nooteboom leeg is, dan zegt hij ‘Tingelingeling’ en dan komt zijn vrouw Simone Sassen het glas bijvullen. Het portret dat Heerma schetst, is aandoenlijk en meedogenloos door de koele registrerende vorm.

Andere schrijvers wonen alleen en zijn bijna vergeten, zoals de dichter Jan Kal die op een tweekamerappartement in Amsterdam verblijft, ‘overal rommel, en overal dezelfde scherpe, penetrante lucht’. De dichter die zeer teruggetrokken leeft, krijgt op de dag van het interview juist bezoek van twee mensen van de woningbouwvereniging. ‘Het wordt tijd om te accepteren dat u een beetje hulp nodig heeft, meneer Kal, dan kunt u hier nog mooie jaren tegemoet gaan,’ zeggen ze tegen hem. Kal blijft schrijven al blijft het de vraag of zijn volgende bundel ooit het daglicht zal zien.

Het fascinerende aan deze interviewbundel is het besef bij veel schrijvers dat hun werk al tijdens hun leven vergeten is. Een deel van hen heeft geen uitgever meer en ze hebben nauwelijks contact met hedendaagse schrijvers. En zelfs als ze nog wel een uitgever hebben, zoals H.C. ten Berge, P.C. Hooft-prijswinnaar in 2006, dan is het verkoopsucces niet heel groot: ‘Toevallig kreeg ik gisteren van Atlas Contact mijn jaarafrekening: dertien euro negenenzestig. Vorig jaar kreeg ik van Koppernik negenendertig euro voor drie boeken.’

Heerma van Voss wil horen hoe de schrijvers terugblikken, ‘welke grondtoon blijft hangen’. Dat is met deze bundeling fantastische interviews meer dan gelukt.

Coen Peppelenbos

Thomas Heerma van Voss – De prullenmand heeft veel plezier aan mij. Das Mag, Amsterdam. 240 blz. € 24,99.
Interviews met Arie van den Berg, H.C. ten Berge, Jan Donkers, Rudolf Geel, Judith Herzberg, Jan Kal, Mensje van Keulen, Anton Korteweg, Jan Kuijper, Hilbert Kuik, Guus Luijters, Lidy van Marissing, Nicolaas Matsier, Cees Nooteboom, Willem Jan Otten, Jan Siebelink, Hans Vervoort en Ad Zuiderent.

Deze recensie verscheen in een iets kortere versie eerder in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden op 12 augustus 2025.