Bob den Uyl in Dublin en Dunlewey

De dubbeldekker brengt ons langs het glinsterende water van de Liffey naar het hart van de stad. Op O’Connell Bridge buig ik over de leuning om de rivier te zien, en te ruiken. ‘The Liffey is not sniffy.’ Dit is Dublin. We steken Bachelor’s Walk over naar de noordkant, O’Connell Street. ‘Laten we hier even kijken, schijnt wel mooi te zijn’ wijst mijn zoon Matthijs die de reis zo grondig heeft voorbereid dat hij het gebouw onmiddellijk herkent. Achter de robuuste zuilen van een neoclassicistisch façade blijkt het postkantoor te zijn gehuisvest. ‘Hier heeft Den Uyl de envelop opgehaald met de brief met gebruiksaanwijzingen voor het huis in Dunlewey,’ mompel ik half in mezelf, en maak een foto van enkele rijen wachtenden voor de loketten. In Een zwervend bestaan schrijft hij met die meesterlijke mix van scherpe observatie en een trefzekere stijl over de ondoorgrondelijke praktijken van de loketbeambte: ‘Die brief lag er ook, zij het dat ik hier nog even doortastend op moest treden omdat de lokettist hardnekkig bleef zoeken in het vakje V-Z, waarin de brief natuurlijk niet lag. Hij scheen het op de een of andere wijze onaangenaam en zelfs onnatuurlijk te vinden dat mijn naam met een U begint, en eerst na herhaald aandringen begon hij met een onderzoek van het vóórliggend vakje. Daar was hij, de brief, en hij werd me overhandigd met een efficiënt gebaar waarin besloten lag dat de beambte bij het doorzoeken van het vakje V-Z in het geheel niet naar mijn brief had gezocht, maar naar iets totaal anders, naar iets waar ik volkomen buitenstond en waarvan ik de betekenis zelfs niet zou kunnen vatten.’ Blij niet in de rij voor het loket te hoeven aansluiten, stappen we de straat weer op.

Voorbij een parkje dat fungeert als herdenkingsmonument voor hen die voor de vrijheid van Ierland hun leven hebben gegeven, wordt mijn aandacht getrokken door een affiche van Sinn Féin… ‘The Writers Museum,’ zegt Matthijs, en verdomd, we staan bijna voor de deur! ‘Het museum bestaat sinds november 1991,’ vertelt de vrouw in de entreekamer. Op de begane grond is in twee kamers en suite de gehele Ierse literatuur in beeld gebracht. Wij komen voor Flann O’Brien (pseudoniem van Brian O’Nolan) en steken onmiddellijk door naar ‘room 2’. In de vitrine onder zijn portret ligt een eerste druk uit 1939 van At Swim-Two-Birds, de onvertaalbaar geachte absurdistische en non-conformistische roman die Den Uyl voor Meulenhoff vertaalde en die in 1974 tegen zijn zin onder de titel Tegengif werd uitgebracht. De audio guide heeft ook een Nederlandse versie. Er wordt een strofe van een gedicht voorgelezen:

Gaat alles verkeerd, en het blijft zo gaan,
En je krijgt geen goede raad,
Kijk je zwaar tegen het leven aan –
een goed glas bier is je toeverlaat.

Ik herken de vertaling van Den Uyl in deze eerste strofe van het gedicht ‘Workman’s Friend’, een ode aan een glas bier. Stout, vanzelfsprekend. We besluiten straks ‘a pint of plain’ te heffen op dit postume eerbetoon aan Bob den Uyl die tijdens zijn korte bezoek niet erg onder de indruk raakte van deze ‘provinciehoofdstad’.

Het treft dat ons hotel in Fleet Street zich pal naast de Palace Bar bevindt, een van de stamkroegen van Flann O’Brien. Door naar Neary’s in Chathamstreet waar O’Brien ooit stomdronken tegen de toog heeft staan pissen. Al het houtwerk van de toog ziet er trouwens nogal uitgebeten uit. De pubs Mc Daid’s and The Duke zijn er nog, evenals Davy Byrne’s en Bayley in Duke Street zij het dat deze kroegen ten prooi zijn gevallen aan eigentijdse restyling. Nog even naar Stephen’s Green (Joyce en O’Brien) en de sjieke buurt rond Merrion Square (Oscar Wilde).

In Grafton Street spelen straatmuzikanten zoals het hoort en onder de volle maan ziet Dublin er tussen Trinity College en de zuilen van de Bank of Ireland (bedelaars zitten hier naast geldautomaten en op bruggen en dronken tegenliggers schieten in een half vallende loop rakelings langs je) indrukwekkend negentiende-eeuws uit. Dublin heeft vele gezichten, maar Den Uyl kwam in zijn oordeel (De bloedende trein) niet los van zijn indruk van vervallen en verwaarloosde straten, bedelaars en dronkaards. Zijn blik werd vertekend door de treurige troosteloosheid van de buurt rond Connolly Station en Gardiner Street waar hij overnachtte: the wrong side of the river.

‘Een brief, want prentbriefkaarten zijn hier niet te krijgen,’ schrijft Den Uyl op 1 juli 1976 aan zijn vriend Hans Verweij en diens vrouw Anna. ‘Dunlewey bestaat trouwens niet,’ vervolgt hij. ‘Twee leegstaande kerken, een kroeg en een huis, dat is alles. In dat huis, een voormalig hotel, daar zitten wij dus, omgeven door een werkelijk grandioze natuur.’ Hij legt zijn vrienden uit hoe zij er met de snelbus naar Letterkenny, en via de bus naar Dunlewey kunnen komen. Er staan twee witte huizen tegenover elkaar. ‘Het rechtse huis is het onze. Aankomst precies op het borreluur.’

We huren een auto en rijden een andere route. Rechts zitten, links rijden (Je kunt net zo goed rechts rijden; er zijn toch geen tegenliggers). Na Enniskillen slingert de weg eindeloos langs een meer. ‘Two shorten the road,’ lezen we tijdens een stop in Donegal op een van de suikerzakjes (a spoonful of Irish). Killybegs is een goede plek om te overnachten. Sea View. Hoe had het hotel anders moeten heten. Achter de hoge ramen kijken we uit op de haven met vissersschepen. Achter de haven strekt een diepblauwe zee zich uit… Het uitzicht brengt onmiddellijk het gedicht van Den Uyl in herinnering:

De deur uitgaan, dat is
Nooit meer terugkomen.
Vervagen aan de horizon.
Verdampen op zee.

Een tekst om in Engelse vertaling op de kademuur aan te brengen, tenminste als de vissers zich door het gedicht niet laten afschrikken de zee op te gaan. Want vissen (geld verdienen) en drinken (uitgeven) is nu juist het enige wat hier mogelijk is.

Steeds dieper rijden we het niemandsland in over long and winding roads. Schapen, een enkele tegenligger, een turfsteker. Om de zoveel tijd verandert het landschap. De zon wordt warmer, het landschap kaler, schraler, ruiger. En dan, eindelijk, doemt Mount Errigal in al zijn grootsheid voor ons op. Rechts onder tegen de berg van 751 meter ligt Dunlewey, enkele witte huizen en een kerk. We zien het, omdat we het weten.

Dunlewey bestaat nog. De aanblik bij aankomst is onveranderd: rechts het voormalig hotel en vakantiehuis, links het huis met postagentschap. Margareth Gallagher heeft de zaak van haar ouders overgenomen. Ik pak Het land is niet ondankbaar uit mijn rugzak en vertaal: ‘Ik logeer in een eenzaam huis in het Ierse graafschap Donegal. Als ik levensmiddelen moet hebben die de schuin tegenover het huis gelegen kruidenier annex kroeg en postagentschap niet kan leveren, moet ik naar een van de drie stadjes die elk op zo’n vijfentwintig kilometer van het huis liggen.’ ‘So we are famous,’ reageert Margareth met een ironisch lachje, want daar heeft ze nog niks van gemerkt. ‘Struggling,’ vat ze het winkelbestaan met man en kind samen. Ik vertel haar het hilarische verhaal van Den Uyl uit Een zwervend bestaan, waarin hij op een heuvel, vechtend tegen horzels, stukken tuinslang met elkaar probeert te verbinden om de watertoevoer naar het huis te regelen.
‘Dat beekje is hierboven,’ wijst ze enthousiast en houdt een lofzang op het natuurzuivere water, zonder fluor. En die horzels? ‘They are terrible, like the midges, but only in the summer.’

Ik vertaal het fragment waarin ‘the writer’ stroomopwaarts de slang volgt:

Nadenken deed ik niet meer; automatisch met de armen om me heen maaiend, door opeengeklemde tanden kreunend, volgde ik de slang, raakte hem kwijt, vond hem weer terug, viel een keer languit op een platte rots waarbij de lucht uit mijn longen werd geslagen, voelde tientallen horzels hun eieren onder mijn huid nestelen, zag nog een tegenwoordig zo zeldzame vuursalamander wegschieten, stond ten slotte met het losgeraakte eind in mijn handen, sleepte dit moeizaam naar het andere eind dat ik de vorige dag met vooruitziende blik onder stenen had vastgelegd en gemerkt, verbond de twee uiteinden, worstelde me weer stroomafwaarts om de twee resterende koppelingen te ontluchten, en ging weer naar huis om daar met een niet te beschrijven bitterheid vast te stellen dat er nog steeds geen natuurzuiver water in het reservoir liep.

Margareth kent iemand die tot in de jaren zeventig eigenaar was van het huis, waar Den Uyl verbleef. ‘He is an artist, a painter from Londen.’ Ze wijst ons de weg, ergens bergopwaarts, tussen bomen, struiken en gele brem. We rijden de berg op. De auto schudt heen en weer over het pad. Na enige tijd doemt er een wit huis op. Het huis blijkt een boerenhoeve, gebouwd in een U. We parkeren op de koer tussen het woonhuis en de voormalige stallen. Een man stapt door een kralengordijn van de keuken naar buiten en stelt zich aan ons voor. ‘Ian Gordon.’ Hij nodigt ons uit binnen iets te drinken. Bob den Uyl kent hij niet. Hij vertelt over zijn studentenjaren in Londen, in Belfast, zijn reis naar India. Terwijl Ian vertelt, zit zijn vrouw in een zijkamer achter een computer. Internet heeft de wereld dichterbij gebracht. Ze heeft nu contact met een van hun vijf dochters. ‘Met de Atlantische Oceaan in mijn rug, lach ik naar de wereld,’ zegt Ian. Hij neemt ons mee naar zijn atelier. ‘Land, Scape, Sky,’ lees ik op een folder. Hij laat wat werk zien. Ik koop een schilderij van hem van Mount Errigal, ‘February morning’, dat ik typeer als Plamuurimpressionisme, wat Ian wel kan waarderen. Omdat we met een huurauto zijn, zal hij het schilderij op laten sturen, per vliegtuig. Voor een foto poseert hij op zijn knieën om zijn schilderijen in beeld te krijgen. Hij spreidt zijn armen als vleugels boven zijn schilderijen: ‘Me and my footballteam.’

Het is warm, de zon brandt in een diepblauwe hemel. Maar voor het huis valt een zwarte schaduw. O’Dochartaigh Lakeside Hostel, staat er op het uithangbord aan de gevel van het vroegere vakantiehuis dat in verval is. ‘Closed’ vermeldt een kartonnetje aan een touwtje achter bestofte ramen. In de hoek van een vensterbank leunt de dood: een dodenmasker op een stok, omkleed met een zwart doek. We lopen om het huis, kijken aan de achterkant door kapotte ramen naar binnen. In de kelder ligt een verroeste fiets. Hier was het dus. Hier verbleef Bob den Uyl een paar weken zorgeloos in het niemandsland zonder iets te hoeven, zonder iets te doen, of te willen. Een plek die niets van je vraagt en die geen enkele verwachting of illusie oproept. Het is wat het is: een overweldigend landschap waar je ‘ik’ klein en onbeduidend tegen afsteekt.

In zijn laatste verhalenbundel Het land is niet ondankbaar (1989), wijdt Den Uyl – een paar jaar voor zijn dood – nog een bladzijde aan deze plek. In de stilte zit hij op een stoel voor het huis te wachten. Het moet voor Den Uyl de ideale werkelijkheid zijn geweest, dit tijdloze niets: ‘Rust en vrede heersen alom. Dan komt er in de verte een wagen aan. Ik sta langzaam op, pak de boodschappentas en wuif vriendelijk naar de bestuurder, die voorkomend stopt en het portier voor me opendoet.’

Nico Keuning