Het verbrande huis van Chris J. van Geel

Het huis was een burcht en een prieel tegelijk en, vreemd genoeg, daarin leek het een beetje, meende ik, op zijn bewoner,’ schrijft Elly de Waard in haar herinneringen aan het huis Achterweg 17 in Groet. Met de bewoner doelt zij op de dichter-tekenaar Chris J. van Geel (1917-1974) die in 1947 zijn woning aan de Herengracht 598 had geruild met de beeldhouwer John Raedecker toen deze de opdracht kreeg het Nationaal Monument op de Dam te bouwen. Met deze woningruil maakten de inwoners van het Noord-Hollandse kustplaatsje kennis met een van de wonderlijkste Amsterdamse kunstenaars die zij ooit in de kleine dorpskring hadden gezien. In feite zagen ze hem nauwelijks, en dat was voer voor roddels en verhalen over de lange magere gestalte, die zich verschool in het huis aan de Achterweg tussen braam, hondsroos en hoogoprukkende klimop.

Hij leefde ’s nachts. ’s Morgens sliep hij en tegen de middag kwam hij tot leven (‘Niet voor 12.00 uur’ stond er in het telefoonboek achter zijn naam). Dat betekende gedichten schrijven, invallen noteren, tekeningetjes maken, kleine objecten opplakken. Zijn werkblad beperkte zich veelal tot papiertjes of stukjes karton op briefkaartformaat. Daar plakte hij zuurtjes op, een platgereden pad, een gedroogd blad, een verdroogde hagedis of twee haarspelden. ‘Dikdoenertjes’ noemde hij deze kunstvorm.

Zijn ars poëtica heeft in Groet gestalte gekregen in miniaturen, precies zoals hij schrijft in ‘Portret’:

Alleen op stijve vellen kan hij tekenen
In minuskulen en op klein formaat.
Hij is een man die met een hamer
De kiezelstenen in zijn tuinpad slaat.

Dat tuinpad begon achter het groene, houten tuinhekje. Vervolgens kwam je op een soort pleintje waartegen het huis oprees dat door Raedecker zelf was ontworpen en in 1939 werd ingewijd met een feest, waarbij de rode lak op de vloertegels in één nacht van de vloer werd gedanst. Ik moet eraan denken als ik de vloer van glanzend, geaderd marmer betreed in de hal van het nieuwe huis van de huidige bewoners ‘Cor en Chris’. Chris is de vrouw die mij allervriendelijkst ontvangt. Van het huis van Van Geel dat in februari 1972 is verbrand, is geen spoor meer te zien. Ik loop de trap op. Achterin de woonkamer schuift ‘Chris’ de pui open. Daar sta ik ‘gelijkvloers’ met de tuin… Vanaf het terras kijk ik naar de nieuwe stenen en de brede rand van een rieten dak. De torenkamer is een herinnering, een foto.

Dat was zijn dichtersdomein. Daar schreef hij de duizenden gedichten, die na selectie en redactie van literaire vrienden als Enno Endt en Jan Voorhoeve, Jan Emmens, Remmert Kraak en Tom van Deel (‘tuttelaars’), een plaats kregen in dichtbundels als Spinroc en andere verzen (1958), Uit de hoge boom geschreven (1967) Het Zinrijk (1971) en Enkele gedichten (1973).

Ivan Sitniakowsky werd als grote uitzondering bij de dichter thuis toegelaten voor een interview. We schrijven 1968. De journalist maakt kennis met de dichter en de kunst van het zorgvuldig verwaarlozen van een tuin. Hij betreedt het heiligdom van de tekenaar van ‘interieurtjes’: ‘Tegen de verse wand staat een tot het plafond reikende boekenkast. Ook het interieur met grote en vrij nette stapels boeken en tijdschriften op de grond en op tafeltjes maakt de indruk van een geordende chaos.’ Van Geel trekt dozen te voorschijn, die vol blijken te zitten met pentekeningen: vele variaties van het ‘oervogeltje’, viltgouaches, lampenkappen. Een schatkamer.

Achter het huis tegen het duin stond het tuinhuis waar bevriende schrijvers en dichters voor korte of langere tijd logeerden. Elisabeth Eybers, Renate Rubinstein en Aad Nuis, Jan Emmens en Jan Hanlo. Hanlo werd de eerste nacht uit zijn slaap gehouden door een tak die op de wind tegen de dakrand schuurde. De volgende morgen breekt hij de tak af, iets wat Van Geel normaal woedend zou hebben gemaakt (hij belde onmiddellijk de gemeente als er ergens werd gekapt of gezaagd), maar zijn vriend was belangrijker dan de boom: om elke vorm van overlast voor Hanlo uit te sluiten, zaagde Van Geel de hele boom om:

Zijn laatste adem overstemt
wat ooit in bomen ruisen zal,
wat hij met takken trok uit wind,

de rechte zucht waarmee hij viel.

Bomen hebben zijn grote liefde. ‘s Nachts loopt hij vanuit zijn torenkamer het bos in, langs de ‘sluipeiken’ die zich in bochten wringen (‘Is de ruimte dan toch oog van een naald?’). Van Geel doolt als een spook tussen de bomen. In de stilte. De nacht brengt beelden aan het licht. Met deze verstilde indrukken laat hij in zijn gedichten een andere werkelijkheid zien. Natuurgedichten waarin het innerlijk van de dichter ligt besloten. Speels, dubbelzinnig en met humor. Echt iets voor het tijdschrift Barbarber. Tussen redacteur G. Brands en Van Geel ontstaat een hechte vriendschap en er vindt een intensieve uitwisseling plaats van teksten, tekeningen en gedichten.

Bij de bewoners van de Achterweg heeft Van Geel een slechte reputatie. Elly de Waard, die hem aanvankelijk komt ‘betuttelen’ als jonge studente Nederlands, is de vierde vrouw die bij hem intrekt. Zij kwam in de winter van 1962 bij Van Geel op voorspraak van Thérèse Cornips, zijn ex en latere vertaalster van het oeuvre van Marcel Proust. Veertien dagen later berichtte Van Geel: ‘Ik heb niets aan haar, want ze kan niet koken.’ Ze leerde snel. Ook koken. Als zij naar een popconcert moest (De Waard was in die tijd ook poprecensente), stapte hij bij het gezin van zijn vriend en hoenderschilder Jan Budding op nummer 11 binnen: ‘Kan ik een hapje mee-eten.’ De schrijver Nescio die in juli en august het huis [het rechter huis van twee onder een kap, NK] van de familie Dehé op de Achterweg 26 huurde en met niemand dan met Van Geel omging, zag in de dichter het ideaalbeeld van de uitvreter. Maar een aardige uitvreter. Iemand die risico’s durfde nemen, desnoods beneden de armoedegrens leefde, in dienst van de kunst.

Achterweg 26,  vakantiehuisje van Nescio

Met het vertrek van Laura, zijn eerste vrouw, waren ook de inkomsten weggevallen. Later werden van het spaarzaam verdiende vertaalwerk van Thérèse Cornips de groenteman en de melkboer betaald. De bakker hield er een ander principe op na: ‘Geen kunstenaar zal honger lijden, zolang ik leef.’ Ook bij kruidenier Cor Rens uit Camperduin kon ruimschoots op de pof worden gekocht. De verhalen gingen van deur tot deur toen een rijksconsulent van de Sociale Bijstand Van Geel en Cornips op een winterdag in bed had aangetroffen. Omdat er geen brandstof meer was, maar de Groetenaren hadden daar zo hun eigen ideeën over. Omdat ze weinig van hem wisten, vulden ze zijn leven zelf in, met hun verzinsels.

Hij hield van kinderen, van hun manier van praten en kijken. Maar als kinderen op het klimduin achter het huis ‘Opa! Opa!’ naar hun grootvader schreeuwden, dan kwam hij naar buiten en riep, onzichtbaar tussen de begroeiing, geërgerd terug: ‘Je opa is dood!’

Er stonden kinderen op het duin,
heel hoog, heel stil, in tegenlicht,
met kleine zonnen naast hun armen,
naast hun knieën, die werden waar
zo’n zon scheen dun.

Zijn slechte reputatie zorgde ervoor dat niemand hem in de strenge winter van 1962 aan water wilde helpen. Elly de Waard: ‘De enigen die ons wilden helpen waren de kunstschilder Jan Budding en zijn vrouw, die op zo’n anderhalve kilometer gaans woonden.’ Ze woonden toen aan de Hogenolweg, vertelt An Budding die sinds 2003 in Bergen woont: ‘In ‘68 verhuisden we naar de Achterweg nummer 11.’ De nacht van de brand staat op haar netvlies gegrift: ‘’s Nachts hoorde ik een knal. Eerst dacht ik dat ze  weer aan het schieten waren in de duinen, maar het was donker. Ik sprong het bed uit. In de zitkamer hadden we een glazen pui van onder tot de nok. Achter het raam zag ik de hoge vlammen. Heel dichtbij. Ik belde de buren en de brandweer. Toen bleek dat het huis van Chris in brand stond. Chris en Elly verbleven al enige tijd in Utrecht bij de vrouw van Jan Emmens die zelfmoord had gepleegd… Er is zoveel verbrand. Zelfs een Picasso.’

De knal suggereert een (gas)explosie. Maar over de ware toedracht geeft niemand aan de Achterweg iets prijs. Die geheimzinnigheid verbaast Elly de Waard. ‘Er zijn twee hypothesen,’ zegt zij onomwonden, ‘kortsluiting – dat zeggen ze altijd, of het is in brand gestoken. Vreemd is wel dat toen we ’s nachts in Groet aankwamen ik stapels van mijn lp’s  op de dorpsbrink zag liggen.’ Ze vertelt hoe de binnentrap die vol lag met papieren en boeken als trekgat heeft gewerkt, want vooral de schade in de zitkamer en de torenkamer was enorm. Ze heeft geen zin om op te noemen wat er allemaal is verbrand. Dat is te pijnlijk. ‘Het huis,’ zegt ze, is in de jaren steeds in dromen teruggekeerd, telkens in een andere staat van kapotheid, maar steeds heler.’ Een vorm van traumaverwerking. Haar herinneringen aan het huis hebben in haar poëzie een plaats gekregen, onder andere in de bundel Anderling (De Harmonie, 1998) waarin ‘de verloren dingen’ zichtbaar worden in ‘een licht van innerlijk vuur’.

Dochter Marjolein Budding schreef als veertienjarige in haar dagboek, op zaterdag 12 februari 1972, 8.00 uur: ‘Er is iets ontzettends gebeurd. Chris zijn huis is tot op de grond toe afgebrand. ’s Nachts om een uur of 1 hoorde ik papa en mama paniekerig roepen. Ik keek uit het raam en daar zag ik een ontzettende vlammenzee. Een angstaanjagend gezicht. Ik ging naar buiten en daar zag ik het huis van Chris in fik opgaan. Wat vind ik dat erg! Al zijn mooie dingen en al zijn gedichten, al zijn antieke dingetjes, al zijn boeken, en al zijn gekkige grappige dingen in vlammen en dan ook nog 2000 LP’s van Elly, haar typemachine en stereo-installatie, en hun brommer. Zijn gedichten zijn nog het ergste. Om drie uur moest ik naar bed en om half vier kwamen Cris en Elly. Ze bleven bij ons slapen. Nou ja, slapen.’

Als meisje liep ze ook wel eens bij Van Geel binnen. De dichter heeft haar vereeuwigd in een van zijn miniaturen die hij in 1969 aan Barbarber [nr. 76] opstuurde, waardoor deze ver buiten bereik bleef van de vernietigende vlammen:

Geluk

In een sinaasappelschil zag ik een beertje, de navel vormde het oog. Ik zette de schil op een kastje. Hij krulde al gauw van droogte in zijn randen naar de beschouwer toe en werd daardoor nóg herkenbaarder in zijn bedoeling een menselijke beer te zijn. Marjolein (10)  op bezoek merkte het russen mijn chaos op en prees het schillenbeertje. Ik voelde mij als Rubens (bijvoorbeeld) wanneer de koning minzaam instemde met De Maagdenroof (bijvoorbeeld).

Er is nog meer aan het vuur ontsnapt, vertelt Elly de Waard, die tevens voorzitter is van de Stichting van Chris J. van Geel: ‘Stapels papier die toen door het bluswater zijn gered hebben al die jaren bij mij hier in het Vogelwater [het landgoed op de grens van Castricum, NK] op zolder gelegen. Hieruit is een dichtbundel samengesteld: Onverzamelde gedichten (2014). Uit dit nagelaten werk is Chris J. van Geel, die twee jaar na de brand is overleden, uit de as van het verbrande huis herrezen.

Nico Keuning

(foto’s Nico Keuning)