Het radeloze roepen van Kurt Tucholsky

Het is de droom van menig schrijver om met woorden de wereld enigszins te kunnen bijsturen. De Duitse schrijver Kurt Tucholsky (Berlijn 1890 – Göteborg 1935) was een van hen. Hij voorzag al vroeg de enorme gevaren van een nationaalsocialistisch Duitsland en deed wat hij kon om die invloeden te keren.

Hij was pacifist, antimilitarist en een duidelijk links georiënteerd democraat. Geen wonder dat zijn boeken later door de nazi’s verbrand werden. De man zelf kregen zij niet in handen. In 1935 deed hij (vermoedelijk) een poging tot zelfmoord in zijn blauwe houten villa in het Zweedse Hindås. Hij overleed kort erna in het ziekenhuis in Göteborg.

Degenen die tegenwoordig als schrijver iets willen bewerkstelligen zitten met hetzelfde dilemma als Tucholsky in het interbellum. Of je nu linkse of rechtse idealen koestert, of je naam nu Sander Schimmelpenninck is of Theodor Holman, woorden hebben maar een beperkte invloed. Gekmakend beperkt.

Kurt Tucholsky is geen erg bekende naam geworden, al deed zijn maatschappijkritische boek Deutschland, Deutschland über alles in 1929 veel stof opwaaien en ging hij geruime tijd om met invloedrijke anderen. Zo reisde hij met zijn vriend Kurt Szafranski in september 1911 naar Praag om er Franz Kafka en Max Brod te bezoeken. Een gebeurtenis die Kafka nog noemt in zijn dagboeken.

Maar Tucholsky was toch vooral een eenzame strijder. Al in 1929 verliet hij Duitsland om een jaar later in het Zweedse Hindås, ten oosten van Göteborg, een villa te gaan huren, waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Hij schreef daar onder meer de bekend geworden, veel vertaalde en ook verfilmde ‘kasteelroman’ Schloss Gripsholm. Deze novelle baseerde hij op een zomer vlakbij dit ten westen van Stockholm gelegen kasteel.


Gripsholm, twee jaar geleden in een nieuwe vertaling van Ard Posthuma, uitgekomen bij Van Oorschot, lijkt op het eerste gezicht een zomeridylle, maar de daar in voorkomende gruwelijke gebeurtenissen in een nabij gelegen meisjesinternaat verwijzen wel degelijk naar het nog zorgeloze Europa, terwijl in Duitsland de laarzen al worden gepoetst. Tucholsky lezen in 2025 is dan ook beslist geen overbodigheid.

Al rijdend van Göteborg richting Stockholm over weg 40 naar Jönköping, kom je al snel de verwijzing naar Hindås tegen. Het is een vlek zoals er zo vele zijn in Zweden met rode, blauwe, gele en witte houten huizen en huisjes, en tegenwoordig een paar stenen appartementengebouwen. Tucholsky’s houten villa aan de Ivar Bergers väg is te vinden door de route naar een conferentieoord te volgen.

De houten villa is wat ik graag kapotgerestaureerd zou willen noemen, maar de bewoner zal er ongetwijfeld trots op zijn. Het authentieke is ver te zoeken. Van zulke huizen heb je er honderdduizenden, er zijn ook bouwpakketten van, die vandaag de dag hier en daar zelfs in Nederlandse buitenwijken opduiken. Alleen het uitzicht op Västra Nedsjön, een van de ontelbare meren van Zweden, is ongerept.

Dichter bij Tucholsky kom je in Mariefred, een al even hyper gerestaureerd plaatsje zo’n tachtig kilometer van Stockholm. Het is een ware toeristenfuik door het antieke stoomtreintje dat er heen rijdt en de stoomboot die er al 120 jaar van en naar de hoofdstad vaart. Een enkeling, vooral Duitsers, komt er voor Tucholsky, die zijn ‘spookachtige idylle’ Gripsholm daar dus situeerde. Hij bracht daarin de dreiging onder woorden, terwijl het naïeve continent gewoon door feestte.

Het gele stationnetje zal er niet veel anders hebben uitgezien toen Tucholsky er aankwam voor zo’n lichte Scandinavische zomer, vol verwachting, maar met een hoofd zwaar van de zorgen. Nu ligt zijn as er onder een steen begraven, terwijl de zorgeloze hedendaagse toeristen er vrolijk keuvelend rondstappen.

André Keikes

(Foto Google Streetview: De villa van Kurt Tucholsky in Hindås
Foto’s André Keikes: Het stationnetje van Mariefred en Gripsholm)