Schrijversbiotopen: Louis-Ferdinand Céline in Meudon
Louis-Ferdinand Céline in Meudon
Dit voorjaar bezocht ik andermaal Meudon, met de trein vanuit Montparnasse gemakkelijk te bereiken. Goed, Arthur van Schendel en Edgar Du Perron woonden er ook, maar voor hen nam ik niet de omweg. Wel voor Céline, Louis-Ferdinand. Lang geleden was ik 17 en las ik de Reis, een verpletterend avontuur, nooit eerder ondergaan. Wie mij zo raakte, verdiende naast bewondering vooral eeuwige nieuwsgierigheid.
Jaren nadien, in de jaren ’80 van de vorige eeuw, raakte ik bij het zoeken naar Céline hopeloos verdwaald, Meudon is groot, maar uiteindelijk vonden we het woonhuis van de schrijver. In die tien jaar na de eerste kennismaking was Céline veel meer geworden dan de schrijver van de Reis, hij had zich voor en tijdens en na de oorlog op zijn lelijkst getoond en om de verwarring groter te maken: hij had méér geschreven, even koortsachtig en meeslepend. In Parijs waren we een paar keer heen en weer gelopen door de Passage Choiseul, waar Céline als de jongen Destouches opgegroeid was. Zijn Rue Lepic, ook gezien. Pas daarna naar Meudon, het huis dat Céline van 1951 tot zijn dood bewoonde: 25bis Route des Gardes, een klein zijstraatje als een inham bij de grote doorgaande weg. Het huis treedt op in het werk dat Céline na 1951 schreef. D’un chateau l’autre opent in Meudon voordat de persoonlijke hel van de voorbije oorlog opgerakeld wordt: ‘Maintenant là, dix ans plus tard, à Meudon Bellevue’.
Voor het huis stond bij de eerste visite een houten hek waar je gemakkelijk doorheen keek. Het huis is een ‘pavillon’, beschut door bladerrijke bomen. Naast dat hek bevonden zich een bel en een brievenbus, alles overwoekerd door klimop. Maar zelfs zonder aanbellen waren we opgemerkt door de weduwe van de schrijver of haar honden. Die laatste renden blaffend op ons af, ze hielden halt bij het hek. Nabij de bel en de brievenbus stond toen nog een bord waar de namen ‘Destouches Almansor’ wat provisorisch op waren aangebracht. Niet ver er vandaan, aan de linkerzijde van de entree, herinnerde een reclamebord aan de dansschool die de weduwe van Céline in betere tijden dreef: ‘Lucette Almanzor, danses classiques et de caractère’. Verdwenen was het bord met het opschrift ‘Docteur L.F. Destouches, docteur en médécine de la Faculté de Paris’. De dokter hield al decennia geen praktijk meer.
Licht gegeneerd (en ontmaskerd als pottenkijkers) verlieten we onze staanplaatsen voor het huis, op weg naar begraafplaats ‘des Longs-Réages’. Ingewikkeld was dat toen nog, om van het woonhuis naar het graf van Céline te wandelen, nu is op internet een accurate routebeschrijving te vinden: ‘balade célinienne à Meudon’. Zo kort voor sluitingstijd arriveerden we bij de begraafplaats waar de beheerder ons de toegang weigerde: ‘moi je travaille, vous vous promenez’. Smeekbedes hielpen niet. Een dag later haalden we de schade in. Mooi graf met zeemansromantiek.
In 1992 stond het huis van Céline kortstondig op de nominatie om door de regering tot ‘lieu de mémoire’ uitgeroepen te worden. Uiteraard ging dat alles niet door: smeerlappen als Céline kwam die eer niet toe, zij hoorden niet eervol herinnerd te worden. De Parijse correspondent van De Gelderlander ging op onderzoek uit en hij kwam met een heel ander argument om het pand de status van ‘lieu de mémoire’ te onthouden: het was een ‘doodgewone vrijstaande woning’ en om zo’n doorsneehuis nu te beschermen leek hem grotesk. Het was jammer dat hij voor het verkeerde huis stond: 2bis Route des Gardes.
Met net iets te veel triomfantelijkheid wees ik in een ingezonden brief op de gemaakte fout. Kort erna poseerde ik op verzoek van een andere journalist van De Gelderlander voor een huis dat het geboortehuis van een jonggestorven dichter had kunnen zijn, maar niet was. Degene die mij enkele dagen later terecht wees, liet zich bij die gelegenheid portretteren voor een huis dat twee dagen nadien het geboortehuis ook al niet bleek te zijn.
Na 1992 bezocht ik Meudon nog enkele keren, ook dit voorjaar. Terwijl het schrijvershuis bij vorige tripjes van jaar tot jaar centimeters desolater werd – de weduwe overleed in 2019 en zelfs de honden blaften niet meer – was het dit jaar plotseling een en al bedrijvigheid: het huis van Céline werd opgeknapt, kleine camions met bouwmaterialen stonden in de tuin en bij de oprit, een jonge vrouw liep in de tuin en gaf zo te zien instructies aan de mannen die er werkten. Zo was het dus bijna geen ‘lieu de mémoire’ meer.
Gelukkig was er op loopafstand nog steeds de begraafplaats, waar de dode schrijver sinds enige jaren gezelschap had van zijn Lucette. Via de Sentier des Blancs en steile trappen bereikte ik die plaats waar de beheerder zich deze keer niet liet zien. De naam van Lucette of Lucie stond al jaren in de steen gebeiteld en met de nodige onvoorzichtigheid was een voorschotje genomen op haar overlijden, met de inscriptie van een 19 als het begin van haar sterfjaar. Een klassieke beitelfout. Toen zij levend en wel de 21e eeuw betrad, stond dat getal er als een verwijt van voorbarigheid. 58 jaar na ‘Louis Ferdinand Céline Docteur L.F. Destouches’ overleed zij en door de getallen van het sterfjaar zijn de 1 en 9 nog wel te herkennen.
Op de steen liggen nu en dan wat bloemen en steentjes. In de linkerhoek van de grafsteen is een kruis gebeiteld en dat zorgt in de kring van Céline-liefhebbers voor ongeloof: hij geloofde toch niets!
Peter Altena


