Het onbelang der dingen

‘De dingen staan los van de man, terwijl de stijl de man zelf is’. Dat zei de Franse natuurkundige Georges-Louis Le Clerc, graaf van Buffon, op 25 augustus 1753 bij zijn installatie als lid van de Académie Française.

Met ‘de dingen’ bedoelde hij het onderwerp of de onderwerpen van een tekst. De titel van zijn toespraak, Discours sur le style, verraadt dat de graaf, hoewel eerst en vooral wetenschapper, een punt wilde maken over het wezen van de stijl.

Wat literatuur onderscheidt van andere teksten, is de vorm. Die wordt deels bepaald door het gebruik van technieken (flashback, wisselingen van vertelperspectief enz.). Zulke technieken kun je ‘leren’ – vraag maar aan iedereen die creatief schrijven doceert.

Daar komt de structuur van de tekst bij. Structuur is, veronderstel ik, bij de meeste schrijvers het resultaat van een min of meer bewust denkproces. Dat vindt op voorhand plaats of krijgt tijdens het schrijven zijn beslag.

Maar wat alles bij elkaar houdt, is de stem van de auteur. Als we ervan uitgaan dat die de standaardtaal gebruikt en verstaanbaar wil zijn, is zijn stijl wat zijn teksten onderscheidt van zakelijke mededelingen of teksten van andere schrijvers.

Stijl kan uitgesproken zijn, zodat je de schrijver meteen herkent – denk maar aan Couperus, aan Simon Vestdijk of aan de Vlaming Felix Timmermans. Maar dat zijn auteurs uit het verleden.

Ook de individuele stijl van schrijvers is onderhevig aan maatschappelijke, taalkundige en ideologische factoren. Vandaag wordt zakelijker, bondiger en eenvoudiger geschreven dan honderd jaar geleden.

Iedereen beheerst vandaag min of meer de standaardtaal; streektaal is not done. Algemeen Nederlands streeft uit de aard der zaak naar eenduidigheid en duidelijkheid. Tegelijk is het lezerspubliek veel breder dan vroeger; het wordt niet meer gerekruteerd uit een elite van fijne luiden.

Terzelfdertijd zijn schrijver zowel als lezer ‘getekend’ door de beeldcultuur. De verteltechnieken van film en TV-drama werden ontleend aan het 19de-eeuwse krantenfeuilleton en keren nu als een boemerang terug. Om nog maar te zwijgen over het tempo van gefilmde verhalen dat aanzienlijk hoger ligt dan het literaire. Een en ander wordt in de letteren aangewend – of bij wijze van verzet juist niet (maar vaker wel dan niet, laten we eerlijk wezen).

Is stijl dan voorbijgestreefd? Elke auteur, die naam waardig, heeft zijn manier van schrijven. Juist hierdoor worden wij al dan niet aangesproken. Als de stijl niet zelf voor spanning zorgt, leg ik een boek na drie bladzijden opzij, wat het achterplat ook belooft.

Stijl is hoe een schrijver omgaat met de beperkingen, opgelegd door de regels van de taal en het onvermogen van diezelfde taal om de hele menselijke ervaring weer te geven. Een ik ‘vindt’ al schrijvend zijn stem. Daar is veel oefening voor nodig waarbij dat ik vooral niet te veel aan het fenomeen stijl mag denken. Eigenaardigheden cultiveren is niet hetzelfde als stijl hebben, al zondig(d)en sommige schrijvers daar tegen.

Misschien heb ik ongelijk en hebben literatuur- en taalwetenschappers al lang veel verstandiger dingen over stijl gezegd dan ik nu doe. Wie weet hebben ze geconstateerd dat stijl een laakbare ideologische constructie is (of zo).

Dat zal mij worst wezen. Niet omdat ik per se een filistijn wil zijn, maar als lezer en een beetje schrijver kan ik alleen denken en ervaren binnen de grenzen van wie ik ben en wat ik weet.
En dat is dat mijnheer Buffon geen ongelijk had toen hij schreef (ik vertaal, nogal letterlijk): ‘Goed geschreven teksten zijn de enige die het nageslacht nog lezen zal. De […] informatie die ze bevatten, het merkwaardige karakter van de beschreven feiten of het baanbrekende van ontdekkingen alleen, garanderen geen onsterfelijkheid.’

Oké, aan onsterfelijkheid doen we niet meer, maar goed.

‘Kennis, feiten en ontdekkingen kunnen gemakkelijk door anderen worden overgenomen. Ze winnen er zelfs bij als een betere schrijver ze verwoordt. Die dingen staan immers los van de man, terwijl de stijl de man zelf is. Stijl kan niet worden gestolen, overgebracht of aangepast.’

De man, cher comte? Nee, bij ons ook de vrouw. En alles daartussen.

Stijl moet, volgens Buffon, ‘verheven, nobel en subliem’ zijn. In die dingen geloven wij vandaag ook niet meer zo. Maar de man leefde in de 18de eeuw en men gebruikte toen andere bewoordingen om kwaliteit te benoemen.

‘Stijl is waarachtig mooi door de oneindig vele waarheden die hij brengt. Alle intellectuele schoonheid die we erin vinden, alle verbanden waaruit hij bestaat, zijn even nuttige waarheden, en misschien belangrijker voor de menselijke geest dan die welke het eigenlijke onderwerp [van de tekst] uitmaken.’

Jan Lampo