Column: Jan Lampo – Woorden te kort
Woorden te kort
Je bent het voorwerp van mijn begeerte. Dat wil zeggen: jij hebt er niets mee te maken; de begeerte situeert zich tussen mijn oren. Zonder jou, evenwel, zou het verlangen niet bestaan. Ik probeer mezelf ervan te overtuigen dat je onschuldig bent. Maar dat is heel moeilijk, ik beken.
Ben je beeldschoon? Misschien vindt niet iedereen dat. Maar de verhouding tussen je ogen, je neus, je mond en je jukbeenderen, de bouw van je lijf, je benen (die voor sommige mannen te dun zijn) veroorzaken in mij een schrijnend heimwee.
Pijn is de essentie van begeerte. Ik citeer niet uit een bdsm-handboek, dat interesseert me niet. Maar verlangen doet zeer; wie het tegendeel beweert, heeft nooit verlangd, nooit écht.
Als je mij meteen zou kussen (niets intiemer dan tongen die met elkaar een dansje doen, speeksel, tanden die onverhoeds botsen) was alles plots anders. Maar dat gebeurt alleen en zelfs dan nog zelden slechte films en driestuiversromannetjes.
Dit felle verlangen zijn kleine elektrische stroompjes in de windingen van mijn hersens. Daarmee moet ik het voorlopig doen, alleen onder de mensen en in de kosmos. Zonnestelsels en nevelwolken, een orgie van kleur en stippen op de foto’s, gemaakt door eenzame satellieten die wij de oneindigheid hebben ingestuurd waar ze in onvoorstelbare stilte hun weg voortzetten.
Ontladinkjes in de kop van een geile primaat, ergens op minder dan een stip in dit, euh, grote geheel. Maar de lijn van je kaak, hoe je huid zich spant wanneer de spieren in je dijen bewegen, de u-tjes in je knieholten beroeren me meer dan opkomst of ondergang van gindse galaxieën.
Andere mannen kijken ook naar je. Kijken ze zoals ik? Ik troost me met de gedachte dat hun woordenschat kleiner is. Maar wat vermogen woorden?
Het is allemaal biologie. Gaat en vermenigvuldigt u!, zei God. En Darwin, die ervoor zorgde dat wij geen harige apen bleven, vond dat wij nòg beter en slimmer moeten worden. Neuken maar.
Mannen – ook ik – staren en gluren naar vrouwen, niet alleen naar die van ons. Daar is niets aan te doen, zelfs niet de introductie van de term ‘grensoverschrijdende blik’. Biologie laat zich door cultuur aan banden leggen, maar slechts tot op ooghoogte.
Laatst zaten we samen op de bus. Je droeg een korte jurk en laarsjes die de mannelijke aandacht onvermijdelijk richtten op je knieën – de ‘k’ en ‘n’ aan het begin van het woord zijn al erotisch, en dan die trema! – en op je dijen. Je langwerpige knieschijven; je slanke, een klein beetje gespierde dijen.
Die knieën – ‘k’, ‘n’, trema – en dijen te strelen was mijn liefste wens. Maar ik besefte, niet voor het eerst (en voor mijn straf) dat de handpalm op knie-ervaring nooit zo goddelijk is als wat je verwacht wanneer je nog aan het kijken bent.
Je kunt dan wel gekust en gestreeld worden, maar schoonheid laat zich niet verschalken, hoe liefdevol ik er ook de hand op leg. Ze behekst me en glijdt dan als zand tussen mijn vingers. Schoonheid is geen ding, maar onvervulbaar verlangen.
Nooit zo goddelijk? Als ik niet oppas, sla je me nu een blauw oog. En met reden. Zo bedoelde ik het niet. Mijn handpalm op je huid, mijn vingers tussen je hete lippen vanonder, dat is allemaal, hoe hemels ook – nevels, sterrenbeelden, radiosignalen met k’s en ‘n’s en trema’s – iets anders.
Aanraking, sensualiteit, seks – ook schoonheid, maar andere; één die je niet ziet en die het lijf langer heugt dan de hersens. Die de tijd doet stoppen, min of meer. Want ja, alles is altijd min of meer, ook al hadden we het zo graag anders.
Vervolgens komt die andere, zichtbare, geziene schoonheid weer in de plaats en met haar het verlangen.
Daarna? Ben ik een dualist, een idealist (in de filosofische zin) op de bus en geile oude aap in bed? Nee, hoogstens een sukkel die voor alles woorden zoekt, ook voor wat daarachter en daarboven gebeurt. Tussen zien en voelen of beter vanbinnen in dat zien en voelen bevindt zich de liefde.
‘Ceux qui vivent d’amour vivent d’éternité’ – ‘zij die leven van liefde leven van eeuwigheid’ schreef de grote dichter Émile Verhaeren. Het staat op zijn graf. En in het Hooglied lezen we: ‘Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, die bij de reeën des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar lust. Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn als rookpilaren?’.
Je bent het voorwerp van mijn begeerte. Ik ben niet onschuldig. Ik kom woorden te kort.
Jan Lampo
Geschreven voor het literaire festival Zuiderzinnen te Antwerpen
