Column: L.H. Wiener – Londen, augustus, 2025 (2)
Londen, augustus, 2025 (2)
Ik had Arend moeten beloven geen alcohol mee te nemen of in mijn bloedbaan te hebben, waaraan ik me gehoorzaam had gehouden, maar toen enige tijd na vertrek in de trein werd omgeroepen dat de restaurant coach geopend was vroeg Arend me op speels spottende toon: ‘Een spaatje, Pap?’
En zo zat ik even later met een miniflesje Merlot uit Chili naar het voorbij vliegende Belgische landschap te kijken, waarbij ik de snelheid van de trein taxeerde op rond de 250 km/u. Auto’s die in de verte op een snelweg 130 km/u, reden kropen als insecten voort.
Na een korte tussenstop in Brussel en Lille verdween het lange grijze gevaarte licht ruisend de duisternis in van de tunnel naar ongeveer dertig meter onder de bodem van het Kanaal, over een lengte van ruim vijftig kilometer. Dit moet men zich niet trachten voor te stellen, althans niet zonder een halfje Lorazepam in je binnenste.
*
Salomé had het hotel geregeld, een adres aan Tottenham Court Road, waar ze voor haar werk vaker verbleef: Het Radisson Blu Hotel in een chique wijk van Soho. Arend en ik samen op één kamer met twee bedden en Salomé op een eenpersoonskamer voor zichzelf.
Nadat ik de kleine rolkoffer naast mijn bed had geparkeerd suggereerde Arend dat ik misschien even een uurtje moest gaan liggen, wat hij goed gezien had, want het was precies waar ikzelf ook behoefte aan had.
‘Dan gaan Saal en ik een wandelingetje maken door Oxfordstreet, met al die mooie winkels volgens haar. Gaan we daarna nog naar het British Museum, oké?’
*
En na enkele minuten sloot ik mijn ogen om niet meer te hoeven kijken naar de ronde rookmelder aan het plafond die af en toe met een blauwe flits oplichtte en dacht terug aan de Manuscriptsaloon in het majestueuze British museum, waar ik meer dan een halve eeuw geleden in mijn studietijd voor het laatst geweest was, een historische plaats, op loopafstand van het hotel, die ik mijn kinderen graag wilde laten zien. Die prachtige rustige zaal met de schriftelijke nalatenschappen van Britse wetenschappers, wereldreizigers, schrijvers en dichters, zoals dat losse velletje papier met in potlood genoteerde berekeningen van Isaac Newton, waarschijnlijk met ingehouden adem bestudeerd door Albert Einstein, en het opengeslagen lederen logboekje van de op de Zuidpool doodgevroren David Scott, met de laatste bibberende potloodwoorden: It seems a pity but I can write no more… God look afer my men… Een schrijnender understatement valt niet te bedenken. Nooit meer vergeten. David Scott, die de race om de Zuidpool als eerste te bereiken verloor van Roald Amundsen, die er een maand eerder de Noorse vlag had geplant.
En dan als ontroerend pronkstuk het met kraaltjes versierde gebedenboekje van Anna Boleyn, beduimeld en scheefgedrukt door het nerveuze gebruik. Anna Boleyn, de negenentwintigjarige koningin van Engeland, tweede vrouw van Hendrik de Achtste, ter dood veroordeeld wegens niet gepleegd overspel, ter executie op The Block, een vierkant eikenhouten slachtblok, als toeristische attractie nog steeds te bezichtigen in The Tower of London. Anna werd op haar verzoek door een Franse beul, met een slagwaard onthoofd, omdat ze de gekromde Engels hakbijl te zeer vreesde. Dit soort details raak ik nooit meer kwijt.
De kerven van bijl en zwaard zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het eeuwenoude hout. Maar niet alleen de snede veroorzaakt door de onthoofding van Anna, moeder van Queen Elizabeth I, de latere Virgin Queen, staan daar voor altijd in het hout, maar het slaglitteken tevens van de terechtstelling van opperrechter Thomas More, die als diep gelovig katholiek weigerde het door de paus afgekeurde huwelijk tussen Hendrik en Anna te steunen. En dan de kerf nagelaten door de executie van de drieste Robert Devereux, second Earl of Essex, begunsteling van Elizabeth, bekend in de Nederlanden gedurende de Engelse Oorlogen (The Dutch wars volgens de Engelsen), die het in zijn wankele hoofd haalde om een staatsgreep naar de regering van zijn weldoenster te ondernemen, om zichzelf daarmee tot Lord Protector of England te bevorderen. De titel koning viel buiten zijn staatsrechtelijke mogelijkheden. Hij eindigde zijn aards bestaan, na drie mislukte bijlslagen richting zijn nek. De beul had het de vorige avond vermoedelijk nogal laat gemaakt.
*
In de aankomsthal van het British Museum, toegang gratis, heerste een temperatuur van tegen de dertig graden Celsius, als functionele omlijsting van de daar tentoongestelde gestolen Egyptische beelden, alle met afgeslagen neus.
‘Vroeger liep je hier rechtstreeks die grote zaal binnen,’ verontschuldigde ik me nog, terwijl we voortdurend gehinderd werden door Aziaten uit heel Azië.
‘Dit wordt zo niets kinderen…, verzuchtte ik.’
Maar op datzelfde moment viel mijn oog op een balie met Britse informatiemeisjes.
Ik wrong me er moeizaam naartoe.
‘Please, madam, the manuscriptsaloon…’ bracht ik met een geforceerde glimlach uit.
‘The manuscriptsaloon… you mean..?’
‘Yes, madam the manuscriptsaloon, where we can admire Shakespeare’s signature…’
‘Excuse me, sir, but the manuscriptsaloon has been replaced to the British Library some twenty-five years ago.’
Waarop ik de hand van Salomé, met haar mooie slanke vingers, strelend in mijn zwetende nek voelde. De oude man moest getroost worden. Geeft niet Pap, het is gewoon te druk en die Egyptische beelden zijn toch ook de moeite waard, al hebben ze dan geen neus, hoorde ik haar in gedachten zeggen. Ik stond voorovergebogen, met mijn handen op de balie en zag het standbeeld voor Oscar Wilde op de begraafplaats Père-Lachaise te Parijs, waar onverlaten zijn piemel hadden weggeslagen. Een ornament dat de kunstenaar, Jacob Epstein, nooit had moeten aanbrengen.
*
Buitengekomen in de drukkende atmosfeer van de ronkende straat bleek het mislukte bezoek me als een forse teleurstelling te raken en voelde ik een schier onbedwingbare lust om me te laven aan een van mijn geliefde drankjes, een gin tonic met ijs, hetgeen ik ook eerlijk bekende.
‘Zullen we even een pub opzoeken om wat bij te komen,’ stelde ik voor. Maar Salomé wilde liever nog even teruggaan naar Oxfordstreet, waar ze een mooi jackje had gezien.
‘Ga je even mee, Ari, ik heb voor jou ook iets leuks gezien.’
En ze legde me uit dat er een aardige pub schuin tegenover ons hotel was.
‘Laat maar weten waar je zit, Pap, dan zien we je straks daar,’ viel Arend Salomé bij.
En zo belandde ik in een pub genaamd Taylor Walker in Great Russellstreet, waar ik een ijsgekoelde dubbele gin and tonic aangenaam naar mijn hoofd voelde stijgen. En daarna nog een.
*
’s Avonds aten we in een aan Salomé bekend restaurant, ze kent de wijk Soho zoals ik Amsterdam. Tafel al gereserveerd. Toen ik als geste wilde betalen was er geen rekening. Arend haalde zijn schouders op. Salomé meed mijn blik.
Een taxi met de eerste twee kentekenletters BE zette ons bij het hotel af. Arend stelde voor samen nog even naar een casino te gaan, de taxichauffeur wist er vast wel een in de buurt. Salomé ging liever naar bed. Zakenvrouwen gokken niet, zij mijden risico.
Binnen tien minuten zaten Arend en ik aan een blackjacktafel met paarse bekleding. Zijn kennis van het spel liet geen kritiek toe. Hij zou mij wel aangeven wanneer ik moest kopen of passen (buy or stay) hetgeen me amuseerde. ‘Ik zat al aan de blackjacktafel ongeveer een halve eeuw voordat jij geboren werd, ventje’, hield ik hem voor, maar er schenen nu eenmaal vaste mechanismen in het spel te bestaan waaraan men zich te houden had en die hij kende en ik kennelijk niet. Dat de bank nog verplicht moest kopen op 17, terwijl geen speler dat durfde, maakte niet uit. Daar ging het niet om. En dat de bank uiteindelijk toch meestal won speelde evenmin een rol. Het ging om de grote kans dat er tienen vielen, of azen. En kopen of niet hing af van wat de bank voor openingskaart had liggen. Ik genoot van zijn commentaar en speelde mee met wat hij me opdroeg. De meeste spelers kochten niet eens meer op veertien, uit angst voor de tienen: boeren, vrouwen, heren, allemaal tienen, terwijl de dealer regelmatig boven een veertien nog drie, vier kaarten kocht, om niet zelden op 21 te eindigen. Geen speler die zo’n reeks aandurfde.
De inzetten waren laag, vijf pond per jeton. Ik speelde er steeds drie en na twee winstbeurten achtereen zette ik ze alle negen in, nog maar krap vijftig euro. Een keer raak, de tweede keer mis, het oude liedje. Op een gegeven moment wilde ik kopen op 16, maar werd streng terechtgewezen door mijn zoon, dus kocht ik niet. De volgende kaart was echter een vijf. De dealer eindigde op 20. Ik had hier dus soeverein kunnen winnen. Ik legde mijn hand glimlachend op Arends schouder en moest denken aan een passage uit een boek van Tim Krabbé, gevreesd blackjackspeler en geoefend kaartenteller. Het feit dat andere spelers ook in zijn ‘box’ konden inzetten, maar niet mochten bieden leidde geregeld tot grote irritatie en scheldpartijen, want hij bood geregeld ‘tegen de verwachting in’. Het heeft zijn plezier in het spel vergald staat me bij.
Ik had 200 pond gewisseld en die ten slotte met mijn alles-of-niets-inzetten verspeeld. Arend had 120 pond over toen we besloten te stoppen. Hij had zich beheerst, de beste houding voor een speler.
*
Zaterdagochtend, tijdens het ontbijt/lunch in het chique Ham/Yard Hotel, het adres waar Salomés Londense vergaderingen plaatsvinden, opperde ik dat we misschien een bezoek konden brengen aan de reconstructie van het Globe-theatre, aan de zuidelijke oever van de Thames, het nagebouwde theater van William Shakespeare, niet ver van de plaats waar ooit de oorspronkelijke Globe had gestaan.
Salomé raadpleegde haar telefoon en kwam erachter dat er die avond een uitvoering was van Twelfth Night (Driekoningenavond). Een mooiere afronding van ons weekeinde was haast niet denkbaar en mijn voorstel om er naartoe te gaan, mits er nog kaarten waren, viel in goede aarde.
En er waren warempel nog kaarten in de duurste rangen, de plaatsen hoog in het theater, op de derde galerij.
‘Maar nu is het mijn beurt, Saal,’ dwong ik af. En terwijl Salomé de kaarten via haar telefoon betaalde, maakte ik in euro’s omgerekend 222 pond op haar rekening over; 74 pond per plaatsbewijs, waarmee het toeristische karakter van de nieuwe Globe evident werd aangetoond.
*
‘s Middags betraden we, op speciaal verzoek van Salomé, het vermoedelijk grootste warenhuis van Europa, Harrods, inmiddels in Arabische handen overgaan, evenals de meeste panden in de duurste wijken van Londen: Chelsea, Mayfair en Kensington. Harrods is gekocht door een Egyptische miljardair, de vader van Dodi, de minnaar van prinses Diana, tezamen met hoge snelheid verongelukt in een Parijse tunnel. Ik kan even niet op zijn achternaam komen, maar daar heb ik met meer minnaars last van.
De aanblik van de vesting Harrods is overdonderend, zowel in aanschijn als wat betreft de inrichting. De gevel neemt over meer dan honderd meter het front van Knightsbridge in beslag en binnen waant men zich in een rijk sprookjespaleis met vele door roltrappen verbonden verdiepingen, die nergens schijnen te eindigen. Een bij uitstek geschikte plaats voor een geestelijk gestoord medemens, die in de korte tijd dat hijzelf nog zou leven zoveel mogelijk slachtoffers wilde maken, ging mij door het hoofd. Salomé wilde graag naar de schoenenafdeling, die ze makkelijk bleek te kunnen vinden, terwijl Arend en ik braaf achter haar aan liepen en waarbij we onze ogen uitkeken. Was de Brexit dan toch een succes? We passeerden een panter van zwaar massief glas in sierlijke vormen gegoten, tentoongesteld op een mahoniehouten sokkel, geschatte gewicht van het als decoratie bestemde kunstwerk twintig kilo, aangegeven prijs 33.000 pond.
*
Salomé paste een paar schoenen van heel mooi glanzend leer, pumps, geloof ik, kwaliteit, dat kon je zien, merk Gucci, prijs 900 pond.
Ik keek Arend fronsend aan.
‘Laat nu maar, Pap, ze kan het heus missen.’
Gelukkig kocht ze de schoenen niet, waarom niet heb ik niet gevraagd, want ze stonden haar toch erg goed en wat is 900 pond nu helemaal met het salaris van mijn dochter, dat ik niet weet, maar Arend kennelijk wel.
Toen we ons verder langs het brokaat, de parfums en de glimmende houten bestekcassettes van 3000 pond begaven kon ik niet nalaten om op neutrale toon tegen Salomé te zeggen: ‘Toen je die schoenen paste, Saal, moest ik even aan Gaza denken,’ hetgeen geheel overeenkomstig de waarheid was, waarop mijn dochter tot mijn verbazing antwoordde: ‘Ik ook Pap.’
En op exact datzelfde moment begonnen er bellen te rinkelen en stoven er achter elkaar vier in het wit geklede security officials langs ons heen op weg naar de vermoedelijke schutter met zijn automatische wapen, dat hij leegschoot op in doodsnood gillende bezoekers. Arend moet hetzelfde hebben gedacht, want hij greep Salomé beet en drukte haar met zijn grote mariniersborst met gespreide armen ter bescherming tegen een wand. Ik probeerde tevergeefs te hurken. Er klonken echter geen schoten.
Even later bleek het te gaan om een man die middels een megafoon in een zaal van het gebouw een Palestijns protest liet horen en daarop snel overmeesterd werd door de vijf gewapende mannen van Harrods’ Security. Dit gebeurde dus even na het moment dat Salomé en ik gezamenlijk aan Gaza dachten. De op zich onzinnige stelling van Harry Mulisch dat toeval niet bestaat (misschien was hij de werking van het casino vergeten) kwam hier toch wel heel dicht bij een toevallig bewijs.
*
The Globe is veel meer dan een nagebouwd theater, het is een uitgebreid Shakespeare-centrum, een klein warenhuis eigenlijk, waarvan de schouwburg als een soort aanbouw deel uitmaakt.
De schouwburg zelf is cirkelvormig, op een derde ongeveer doorsneden door het podium dat gedeeltelijk het theater insteekt, the pit genaamd, een open ruimte waar alleen staanplaatsen zijn, voor het minder vermogende volk. Deze mensen konden vroeger voor een penny de voorstelling bijwonen, maar moesten er wel op bedacht zijn af en toe een klokhuis, een sigarenpeuk of de laatste inhoud van een fles bier op hun hoofd te krijgen, afkomstig uit een van de drie overdekte galerijen boven hen, waar het ‘betere’ publiek zich bevond. Het publiek zat of stond dus rond het toneel, met de mogelijkheid voor de gefortuneerde toeschouwers om zelfs een zitplaats op de rand van het podium te kopen. Dit laatste voorrecht bestaat in de moderne Globe niet meer. De open pit functioneert nog als vanouds. Een uitverkochte Globe kan wel 3000 toeschouwers bevatten.
*
Twelfth night is een lichtvoetige komedie met een plot die van dwaasheden aan elkaar hangt. Een vroegere gewoonte dat op 6 januari in een aristocratisch huishouden het personeel zich mocht gedragen als de heer en vrouw des huizes en deze de rol van het personeel moesten overnemen, speelt door het verhaal, waar vrouwen zich kleden als mannen en iedereen verliefd raakt op de verkeerde persoon. Viola verkleedt zich als man en wordt verliefd op Orsino, die weer verliefd is op Olivia, maar Olivia raakt verliefd op Cesario, zoals Viola zich in haar rol als man noemt. Doldrieste verwikkelingen dus.
Wij hadden mooie zitplaatsen in de hoogste galerij, maar konden geen woord verstaan van wat er op het toneel in de rondte werd geschreeuwd. Het publiek dat staanplaatsen had in de Pit, recht voor het podium, hoorden we wel gedurig lachen, maar van de tekst viel in de nok van het theater niets te volgen en van de handeling evenmin. Mijn kinderen hielden zich opnieuw goed, maar voelden mijn rijzende ergernis. Ik keek ze af en toe met een zogeheten pruilmond aan.
Na een half uur had ik er genoeg van en fluisterde: ‘Waar denken jullie dat wij na de pauze zijn?’
‘Ach, Pap, het is toch best leuk om naar te kijken,’ fluisterde Salomé terug.
Ik liet mijn hoofd voorover zakken en haalde heel diep adem, terwijl de tranen in mijn ogen liepen.
*
Zondagochtend, ruim op tijd, aten we een broodje in St. Pancras station en terwijl Arend me een beker koffie toestak vroeg hij: ‘Waar is je mes?’
‘In mijn koffer…’
‘Ik ben bang dat dat niet gaat werken, Pap.’
En inderdaad, nadat mijn koffer was doorgelicht werd hij van de band afgetrokken en opengeritst. De controleur hield mijn zeilmes in zijn hand en keek naar een collega.
‘Pap, als jij je er nu even helemaal niet mee bemoeit en dus niets zegt, dan probeer ik nog wat.’
Arend raakte met de controleur in gesprek, die vervolgens met het mes wegliep.
‘Ben ik het kwijt…?’
‘Nog niet, hij laat het aan een superieur zien.’
Arend maakte zich uit de rij los en liep langs de band naar de twee beambten, die over het lot van mijn mes overlegden. Ik wilde roepen dat ik het mes al vijftien jaar had, maar hield mijn mond. Ze konden me toch niet verstaan en zouden mijn geschreeuw alleen maar als overlast uitleggen.
Even later kwam Arend terug en drukte me het mes in mijn hand. Dat hij me waarschijnlijk als een onhandig oud mannetje had afgeschilderd, die het mes niet eens kon openen, vervulde me met trots.
*
Terug in Amsterdam had ik moeite met het afscheid, zonder het te laten merken, hoopte ik. Arend ging naar zijn huis met een leenscooter en Salomé nam de tram naar haar adres aan de Weteringschans.
We omhelsden elkaar stevig.
‘It was nice…’ was alles wat ik kon uitbrengen.
L.H. Wiener

Mag ik even schoolmeesteren? ‘It seems a pity, but I do not think I can write more. […] For God’s sake look after our people.’ – Dát waren de laatste geschreven woorden van Robert Falcon (en niet David) Scott.
Geachte heer Beurskens,
U heeft gelijk, het is Robert Scott en niet David. Zijn tweede naam, Falcon, gebruikt niemand. En betreffende zijn laatste woorden in zijn dagboek heeft mijn geheugen mij eveneens parten gespeeld, maar het is dan ook meer dan een halve eeuw geleden dat ik zijn dagboek in de vitrine van de Manuscript Saloon in het British Museum las.
Ik dank u voor de correctie.
L.H. Wiener.