Londen, augustus, 2025

Ik ben in Londen een octogenarian, een man van tachtig dus.
        ’s Ochtends in de spiegel is er geen ontkomen aan (wie is die oude man die mij daar zo wazig aanstaart) maar in de inner circle van mijn lichaam valt er weinig verschil te merken met zestig jaar geleden. Toegegeven, mijn kinderen moesten me wel in en uit de vele taxi’s helpen die we tijdens ons bezoek aan Londen nodig hadden, maar met behulp van mijn stok loop ik nog alsof ik hem niet nodig heb.
        De Underground hebben we niet eenmaal gebruikt, dankzij de telefoon van mijn zoon, waarmee hij, via het internet, na vermelding van de plaats waar wij ons bevonden, contact maakte met een van de ontelbare zwervende taxi’s, daarbij van de chauffeur vernemend wat de twee eerste letters van zijn kenteken waren, zodat we de wagen konden herkennen wanneer die vervolgens binnen enkele minuten voorreed.
        Dit is niet meer mijn wereld, realiseerde ik me, licht geschrokken.

*

De trip, een lang weekeinde in Londen, met als vervoermiddel de Eurostar, rechtstreeks vanuit Amsterdam door de kanaaltunnel naar St. Pancras Station, was het idee geweest van mijn dochter, Salomé (29) en mijn zoon Arend (31), die vonden dat ik te lang alleen verbleef in mijn toch wel heel mooie appartement aan het historische Spaarne.
        Ik oefende daar voor kluizenaar, nadat mijn laatste vriendin, Kenau, mij na veertien jaar verlaten had voor een zeven jaar minder oude man, met als terloopse opmerking: ‘als jij over een jaar of vijf doodgaat ben ik een vrouw alleen van zeventig.’ En die rekensom klopte, al getuigde hij niet van veel gevoel. Wij verschilden in leeftijd vijftien jaar. De naam Kenau had ze zichzelf eerder aangemeten om aan te geven dat ze ‘harder’ geworden was, zoals ze het beliefde te noemen. Maar hoeveel harder dan ze al was heb ik niet kunnen constateren.

Onze verwijdering valt ongetwijfeld te wijten aan mijn tekort aan mensenkennis en is dus mijn eigen schuld. Ik had deze relatie nimmer moeten aangaan en beter moeten weten, maar daar kwam je pas later achter; veertien jaar later, toen ons gebrek aan lichamelijkheid een wapenstilstand was geworden en onze kameraadschap een loos woord.

*

Ooit schreef ik een boek met als titel Eindelijk volstrekt alleen. Maar geloof nooit een schrijver op zijn woord. De eenzaamheid in het leven overwinnen vereist een schier onmogelijke discipline en verkrampt iedere persoonlijkheid.
        Neem dan een nieuwe poes ging mij door het hoofd, maar een nieuwe poes wil ik niet. Mijn mooie Sarah was eerder dat jaar op mysterieuze wijze verdwenen. In Lemmer van de boot gevallen en in de jachthaven verdronken, of aldaar op de wal geroofd door een medemens. En troost zoeken bij een andere poes voelde als verraad. Dit is misschien niet waar, maar wat is misschien wel waar?

In verlatenheid luidt de titel van mijn boek, waarin ik de neerbraak van mijn verhouding met mijn laatste vriendin heb beschreven; een goed gelukt geschrift, al met al, waarin nergens ook maar de minste verdraaiing van de werkelijkheid voorkomt. Trieste leugens te over, maar alle details zuiver op de krakende graat. En nergens een belediging, of een aanval op een persoonlijk tekort.
        Het woord neerbraak is van de dichteres F. Harmsen van Beek. Met dank, mevrouw; het is een sterk woord.

Het boek verschijnt op 5 november bij mijn uitgever Mizzi van der Pluijm (Uitgeverij Pluim) met een fenomenale omslagtekening van de kunstenaar Floris Tilanus, voorstellende mijzelf, in de gedaante van een tot de slacht veroordeelde stier. Ovidius zou deze prent als metamorfose volledig accepteren, dunkt me.

*

De Eurostar, vroeger Thalys geheten, vertrok om kort na 06.00 uit Amsterdam Centraal, hetgeen betekende dat ik uit Haarlem de eerste trein, van 05.31, moest nemen om nog op tijd door de douanecontrole op perron 15 te kunnen komen.

Maar mijn schaakvriend en W.F. Hermanskenner bij uitstek, Jan-Wim Derks, stond er vreemd genoeg op om mij in alle vroegte per automobiel naar Amsterdam Centraal te brengen. Protesteren had geen zin. Misschien reed die 05.31 ineens niet, was zijn overweging, wegens een spoorwegstaking of iets dergelijks en dan zou ik een taxi moeten nemen met alle ongemak van dien en onnodig hoge kosten; dus.
        Ik ervaar meer duidelijkheid bij mijn vijanden dan bij mijn vrienden.

*

Een incident bij onze passage te Amsterdam deed zich voor betreffende mijn roestvrij stalen Ierse zeilmes, merk Ibberson, dat ik veiligheidshalve al jaren in een leren etui aan mijn broeksriem draag. Het gold voor de controleur als een wapen, wat het ook was natuurlijk en ik had het niet mogen meenemen. Arend, die over veel meer mensenkennis beschikt dan hij nodig heeft, wist confiscatie te voorkomen door mijn ouderdom en mijn vergeetachtigheid te benadrukken. Ik moest het mes wel in mijn koffer opbergen, waarbij ik hoopte dat ik tijdens onze trip niet nog meer overlast zou veroorzaken. Was ik inmiddels toch niet veel anders meer dan een oude sukkel, die door zijn kinderen zoetjes op sleeptouw werd genomen? Als ik het ze zou vragen zouden ze het ontkennen, maar wat is een ontkenning vaak anders dan een omgekeerde bekentenis? Mijn paranoia begon weer eens op te spelen, merkte ik, maar nu volkomen ten onrechte, dat wist ik ook wel; wegdrukken dus en zonder ditmaal een beroep te doen op een halfje Lorazepam.
        Op eigen kracht.
        We waren hecht met zijn drieën!
        Mijn kinderen en ik.
        Op weg naar Londen!

L.H. Wiener