Essay: Ellen Krol – Over S. Carmiggelt, De oorlog in stukjes
‘Je mot naar ’t Oostfront gaan, dan ken je dik op je donder krijgen’
Over S. Carmiggelt, De oorlog in stukjes
Menigeen zal zich dit jaar met verbazing gerealiseerd hebben bij het uitkomen van De oorlog in stukjes, dat er nog geen boek bestond met een keuze uit Carmiggelts Kronkels over de oorlog. We menen wel ongeveer alles van Carmiggelt te weten, soms meer dan ons lief is, maar een boek met wat hij scheef over ‘die verdomde oorlog’ die hem meer dan enig ander onderwerp bezighield, was er niet. Carmiggelts obsessie met de 2e WO heeft te maken met het verlies van zijn omgekomen oudere broer/medeverzetsman, die in 1943 opgepakt was en in Kamp Vught omkwam. In deze bundel zijn samengebracht een keuze uit de ‘stukjes’ in Het Parool van januari 1945 tot zijn dood in 1987, waarvan een derde volgens de achterflap niet eerder in boekvorm verscheen. De bundel is op één punt sterk bekritiseerd, namelijk het gemis aan annotaties en tekstkritiek[1], ―en, zou ik zeggen, keuzeverantwoording, want nu zijn er nauwelijks conclusies over gekozen thema’s te trekken. Dat daargelaten past dit boek binnen de traditie van een Carmiggelt-bundel voor breed publiek, die ook nooit geannoteerd was.
De inhoud van de bundel krijgt de karakteristiek mee: ‘De oorlog― zoals hij voelde voor de gewone mensen, voor Carmiggelt zelf.’ Toch ligt in deze karakterisering een tegenstrijdigheid, want Carmiggelts leven in de oorlog was niet dat van een gewone man en vaak is vastgesteld dat de ik-figuur Kronkel als spreekbuis van ‘gewone mensen’ niet één op één met Carmiggelt samenviel.[2] Zijn biograaf Henk van Gelder beschrijft hem als een van de kernmedewerkers in de laatste jaren van Het (ondergrondse) Parool met als voornaamste taak om de illegale krant op technisch gebied uit te brengen en hij geeft een aantal voorbeelden van Carmiggelts principiële weigeringen te tekenen.[3] In de geschiedschrijving over Het Parool komt de naam Carmiggelt vanaf medio 1943 voor, met name voor het regelen van het illegale drukproces van Het Parool, (de verzorging van drukwerk, en het vervoeren van zetsel en matrijzen), en in het volgende jaar ook voor meer redactionele taken. Toen na mei 1943 de radio’s verboden waren, werd er ook een dagelijks gestencild Nieuwsbulletin gemaakt met samenvattingen van BBC en Radio Oranje naast de wekelijks gedrukte krant.[4] Carmiggelt zelf zou later van mening geweest zijn, dat het produceren van ‘dat krantje’ het beste was van alles wat hij gedaan heeft, daarvoor en daarna.
Maar zat Carmiggelts eigen oorlogsverleden hem niet in de weg bij het bedenken van de figuur van Kronkel? Ervan uitgaande dat Carmiggelt zijn ik-figuur Kronkel graag de plaats van onwetende toeschouwer gaf― omdat een slimme verteller de lezer op den duur gaat vervelen[5] ― zal een verteller die (naar waarheid) poseert als verzetsman de meeste naoorlogse lezers al gauw zwaar de keel uithangen. Liever niet te slim en niet te dapper. Al was het maar omdat hij hen dan dagelijks aan hun eventuele tekortschieten zou kunnen herinneren. Vooraf dus de vraag welk beeld van eigen verzetsbetrokkenheid de ‘ik’ gaf in deze gebundelde Kronkels. Vooral gaat het mij verder om de vraag welk beeld Carmiggelt geeft van de Nederlanders onder Duitse bezetting, en meer specifiek van de relatie tussen vervolgden en niet-vervolgden. [6] Historici hebben het beeld geschetst, dat de Nederlandse herinnering aan de 2e WO zich in vele decennia van een verhaal van heldenmoed en nationale eenheid (jaren ’50-’60) ontwikkeld heeft tot een visie, waarin ‘Auschwitz’ centraal gesteld wordt.[7] Hoe is dat bij Carmiggelt? Mijn conclusies gelden alleen voor deze bundel van eenenvijftig Kronkels, waarvan er zeker tien geheel of gedeeltelijk aan de Jodenvervolging gewijd zijn, en een ongeveer gelijk aantal aan min of meer illegale handelingen, waar de ‘ik’ met opzet of toevallig in verzeild raakt. Daarnaast zijn er typeringen van Duitsers op straat, Duitsers na de oorlog, toevallige helden, uitgesproken profiteurs, sappelaars voor de goede zaak, en overgebleven stille betrokkenen. Uitgangspunt is vaak zijn ontmoeting met een bepaald opvallend persoon die hij vagelijk herkent, waarna hij zich dan realiseert in welke situatie zij met elkaar in de oorlog te maken kregen.
Het eigen verhaal: de rol van het verzet
Opmerkelijk genoeg gaat het de eerste keer dat er ‘verzetsbetrokkenheid’ van de ik-figuur voorkomt, namelijk in de tweede Kronkel ‘Warum denn’ (van 27 februari 1945), om veel openlijker strafbare verzetsfeiten dan in de andere stukjes uit de eerste tien jaar. De hoofdfiguur draagt niet alleen zoals meestal in die jaren een ‘krantje’ bij zich, maar ook ‘kopij, drukproeven’. Omdat dit een van de drie Kronkels uit de bundel is die nog tijdens de oorlog gepubliceerd is, zou het kunnen dat de auteur zich dan nog niet gerealiseerd heeft, dat een echt verzetsverleden Kronkels populariteit in de weg kan zitten. Het ‘stukje’ gaat over toevalligheid, gedemonstreerd aan de situatie dat de ik-figuur, met belastend drukwerk als ‘kopij, drukproeven’ in de borstzak, op straat dóór mag lopen terwijl de wandelaar vóór hem ingerekend wordt en in de overvalwagen verdwijnt. Hemzelf wordt bars gevraagd waarom hij van het pad probeerde weg te draaien? ‘Omdat ik moest pissen’, is het enige wat de ‘ik’ kan bedenken. Als dan de ene Duitser, met ‘een expressie van iemand die eigenlijk boven zijn macht tilt als hij hardheid acteert […]’ hem met een ‘Na―also’ laat doorlopen is een andere Duitser daar weer verbaasd over: ‘Warum denn?’ Maar die laat hem toch gaan.
Alle geselecteerde Kronkels uit Het Parool zijn chronologisch geplaatst, zodat te zien is dat het in de zeven jaar tot 1952 niet over illegaal werk gaat, op die ene bovengenoemde na met de termen: ‘kopij en drukproeven’. Pas in het tiende stukje van de bundel uit 1952 wordt de constructie beschreven die Carmiggelt optrok rond zijn verzetswerk en vaak in zijn Kronkels zou gebruiken, namelijk de rol van tijdelijk invaller van ‘vrienden die ‘diep in de illegaliteit’ zaten. (‘Verzetsdaad’, 1952) Wat hij ironisch zijn ‘eerste ondergrondse hoogstand’ noemde, betrof het vervangen van een koortsige vriend bij het afhalen van een pakje bij een tandarts, met een wachtwoord dat niet blijkt te kloppen; de tandarts trekt zonder egards een kies van hem die hij er verdacht uit vond zien. Alle heroïek ontbreekt in deze eerste ‘hoogstand’ van verzet en de ik-figuur is de pineut in een humoristische situatie.
Een aantal Kronkels uit 1952-1953 heeft de zelfde constructie van een ik-figuur die gevraagd wordt bij te springen ‘bij een vriend, die ‘diep in het verzet zat.’ In (‘Je ziet maar’, 1952) moet de ‘ik’, invallend voor z’n vriend, ergens een pakje ophalen en dat vervolgens ‘wegwerken’. Ditmaal blijkt het een groot opera-achtig pistool met een assortiment kogels, dat hij trillend van de zenuwen achter het kreupelhout in een sloot werpt.[8] Ook onschuldig lijkt de ik-figuur (‘Keukentje’, 1953) die na het missen van de laatste trein op zoek naar een slaapplaats het huis van een vriend binnengaat, waar juist een SD-inval aan de gang blijkt. Gevangen en vastgehouden in een keukentje realiseert de ‘ik’ zich, dat er ‘een gestencild krantje met Londens radionieuws’ in zijn tas zit. Weliswaar is dat geen drukproef, maar toch ook niet onschuldig. ‘Op dat gruwelijke moment’, juist als het krantje tussen duim en wijsvinger demonstratief uit zijn tas gevist wordt, stormt een zestal forse Duitsers het keukentje binnen: alle SD’ers moeten mee, op groot wild uit, dat gaat voor. Ze komen met de schrik vrij.
Kortom, op ‘Warum denn’ uit februari 1945 na zie je tot ‘55 een bagatelliserend beeld van zijn eigen illegale werk met behulp van een camouflerende constructie. Dat wordt, in deze bundel althans, tien jaar na de oorlog anders. Kronkels verzetsbemoeienis blijkt in (‘Meigedachten’, 1955), als de ’ik’ klaagt, dat hij de ‘tanks op de Dam’ miste, omdat hij constant stond te prutsen om een klein handpersje op gang te krijgen. Het Parool, overgaand van illegaliteit naar legaliteit zat zonder stroom in het grote overgenomen Telegraafgebouw met mooi glanzende machines. De lezer hoort in vogelvlucht hoe het illegale blaadje gemaakt werd. In hetzelfde jaar maakt Kronkel duidelijk hoe de illegale drukkerij aan papier kwam, namelijk van een drukkerijbedrijf met een pakhuis vol papier, waar men van mening was dat de Duitsers toch alleen maar ‘propagandistische viezigheid’ drukten. (‘Pakhuis’, 1955). Een bakfiets heeft de ‘ik’ er tien keer kunnen volladen met mooi papier, waarop ‘we’ zoals hij aangeeft toen ‘een brochuretje van Pieter ’t Hoen’ gedrukt hebben, (van Parooloprichter Frans Goedhart). De drukkerij die in Amsterdam illegaal vanaf november ’44 Het Parool drukte, wordt in 1962 geëerd in (‘Jesse’, 1962), namelijk Johan Jesse aan de Nieuwezijds Voorburgwal, een eerbiedwaardige oude drukkerij die zonder zetmachines maar met handzetsel een hele krant van vier pagina’s drukte op de klassieke manier. Wel gevaarlijker door het letter voor letter opbouwen en weer opbergen van het handzetsel, dat daardoor onevenredig lang in huis was.[9] Daarbij kreeg de drukkerij op de dag van uitkomen clandestiene stroom, waarvan de kachel brandde ― men kan in een ijskoude ruimte niet drukken―, zodat op die dag van drukken dus ook Jesses gehele gezin bij de kachel bijeen kwam. Hoe moet Johan Jesse geleden hebben om dat uiterst gevaarlijke tafereel van zijn dierbaren, babbelend bij het vuur, terwijl de pers de krantjes gestadig opstapelde, realiseert Kronkel zich. Twintig jaar na de oorlog, in 1964, spreekt hij vrij uit van: ‘wij, die tot de kern behoorden’, als het over clandestien drukken gaat. (‘Tas’, 1964)
In de jaren ’70 komen de gevangenis-herinneringen (Weteringschansgevangenis) binnen in de Kronkels, weliswaar een kort verblijf, zoals Kronkel benadrukt, maar toch. In ‘Raad’ (1974) benadrukt hij het belang van de smoes van het minimaliseren van het vergrijp, zoals de celgenoot die ‘toevallig’ ergens op bezoek was, waar ‘zomaar’ een inval kwam, en waar toen geweren verborgen ‘bleken’; en z’n eigen smoes: een ‘krantje’ op zak. In ‘Ochtend’ (1977) kijkt hij ’s ochtends vroeg door het verwijderbaar hoekje matglas in zijn raam (inmiddels befaamd) en ziet een vuurpeleton uit een vrachtauto stappen. Hij voelde ‘hoe een primitief angstgevoel bezit van me nam, zoals je opeens hevig koorts krijgt’. In de Kronkel getiteld ‘Klucht’ uit 20 september 1978 laat hij tenslotte drieëndertig jaar na het einde van de oorlog, zien hoe hij opgepakt en naar de gevangenis vervoerd werd. Terechtgekomen in een razzia op de Reguliersgracht, met in zijn tas (nu voluit): ‘kopij, drukproeven en enige oude nummers van het krantje’ (Parool) had hij geprobeerd de tas kwijt te raken, maar een behulpzame Nederlander riep: ‘Der da’, toen naar de eigenaar gevraagd werd. Deze klucht uit 1978 eindigt met het vervoer naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans achterop de fiets van een Hollandse SS’er. In de biografie van Van Gelder (1999) is vervolgens te lezen hoe Carmiggelt dagen later bij het verhoor alleen het ‘krantje’ op het bureau zag liggen, geen kopij en drukproeven, en begreep dank zij een helpende onbekende nu slechts ‘een licht geval’ te zijn. Zo is zijn verhaal in de jaren ’70 verteld, met de angst voor het vuurpeloton, het minimaliseren van het vergrijp en het opgepakt worden.
Het grote verhaal: gewone mensen onder Duitse bezetting?
Hoe schrijft Carmiggelt over de ‘gewone mensen’ onder Duitse bezetting en de verhouding tussen vervolgde en niet-vervolgde Nederlanders?
Jaren ’45 tot ‘60
Een paar jaar na de bevrijding, in 1949, laat Kronkel zich erover uit hoe een gewoon, toevallig publiek in een treincoupe reageert op de confrontatie van een binnenkomende conducteur (‘met nijdig schoolmeesters-gezicht’) in een coupe met twee Nederlandse SS-bewakers met vier gevangen. De gevangen zaten met handboeien aan elkaar geslagen, terwijl de bewakers op de zijbankjes met grote walmende sigaren hun gezang door de hele wagon lieten galmen. ‘Kennen jullie niet lezen?, vroeg de conducteur.
‘Waarom zouden wij niet roken,’ probeerde de SS’er nog, maar ergens was hij bang en kon hij tegen dit karakter niet op.
‘Omdat het hier stáát en omdat ik het zeg,’ baste de conducteur.
Tegen zóveel betonnen vastberadenheid waren die twee slavenzielen niet opgewassen. Ik zie nóg hoe ze verongelijkt mompelend hun peukjes uitdoofden. En hoe die spoorwegheld er grimmig bij bleef staan, niet lettend op de met moeite onderdrukte voldoening van de vier gevangenen en de zéér merkbare verrukking van de hele wagon.
De eenheid van het publiek wordt benadrukt, maar niet zonder dat een dissidente stem hoorbaar wordt van een ‘verdacht doorvoede vent’, die bezwaar maakt dat de gevangenen van iemand een pakje brood aangeboden krijgen:
‘Die jongens krijgen wat ze hebben moeten. ’t Is streng, maar rechtvaardig, daar.’ Dat zei hij tegen een muur van zwijgend ‘wacht maar’ zoals we in die jaren optrokken.
Uit die ‘muur van zwijgend ‘wacht maar’ zoals we in die jaren optrokken’ blijkt dat Kronkel zich vereenzelvigde met zowel de gemeenschappelijke verrukking als met een zekere revanchegedachte. (‘Consequent’, 1949) In die zin sloot hij aan bij de eenheidsgedachte van na de oorlog, die op nationale wederopstanding gericht was.
Maar kenmerkend voor die begintijd was ook dat de Jodenvervolging buiten de Nederlandse geschiedenis werd geplaatst als ‘iets van de Duitsers’, en dat men liever weinig over een aparte categorie joodse slachtoffers praatte, wat juist niet voor Carmiggelt geldt.[10] De Jodenvervolging neemt een tamelijk grote plaats in binnen de Kronkels van begin af aan, terwijl er een paar decennia overheen gingen in de herinnering aan de 2e WO voor ‘Auschwitz’ centraal kwam te staan.
Zo komt er twee keer, in 1947 en 1958, zijdelings een beschrijving van een deportatie van joden voor in de Kronkels. Het gaat om het twee jaar na de oorlog verschenen ‘Herinnering aan de heer Cohen’, een straatherinnering over de eigenaar van een kledingwinkel die vanaf de jeugd van de ik-figuur een bekende was van zijn beide ouders. Cohen is vooral bekwaam in het vak ‘stoepenier’, een winkeleigenaar die op de stoep van zijn winkel klanten naar binnen praatte. Van vaders kant kon Cohen geen kwaad doen als medepartijlid in de SDAP, terwijl zijn moeder een afstandelijke klantrelatie heeft: ‘[…] dan vroeg mijn moeder onwelwillend: ‘En wat kost dat nu nog?’
Na zo’n aankoop rekende ik het altijd tot mijn kinderplicht de heer Cohen, door overdreven petgroeten, te bewijzen dat de SDAP-vriendschap niet onder het incident had geleden. Soms liep ik daartoe speciaal door zijn straat. Ik heb dat gevoel altijd gehouden.
Toen de ‘ik’ al lang volwassen was in de oorlog zag hij de heer Cohen voor het laatst voor het station.
Er stond weer een trein gereed, die naar Westerbork zou rijden en de arme, oude Joden kwamen zich daar gepakt en gezakt melden. Ik stond te kijken en zag een hoop bekenden, kooplui van de boekenmarkt met voddige bagage, want ze mochten immers van alles meenemen.
Kronkel stond te kijken, naar blijkt, niet afstandelijk, maar meer als een afscheid, want een van de kooplui die altijd met ‘goedkope boekjes’ stond, spreekt hem aan en zegt: ‘Ik gá maar, want als ik rond blijf lopen, meneer, word ik een sluipmoordenaar.’ De ‘ik’ ziet meneer Cohen aankomen, met een rugzakje, die hem in het voorbij gaan een hand geeft, ‘want hij wilde niet te laat komen.’ ‘Geef de groeten aan je vader,’ zei hij. Tussen vervolgden en niet-vervolgden is beperkte interactie in de persoon van Kronkel, die handen gevend en pratend bij de trein staat met de joden die opgeroepen zijn voor deportatie naar Westerbork. (‘Herinnering aan de heer Cohen’, 1947)
Tien jaar later beschrijft hij een grimmiger situatie van een menigte op een ‘eivol’ station vanwege de uitval van allerlei treinen, waar op het tweede perron ‘een klein transport joden’ staat, ‘oude terneergeslagen mensen’, bewaakt door Schalkhaar-agenten. (‘Antwoord’, 1958)
Alle wachtende reizigers keken. Naar de oude mensen, die gelaten bijeen stonden. En naar de bewakers, die probeerden een bruikbare houding te vinden. Tevergeefs― want er viel niets te krachtpatsen en er gaat een enorme dreigende kracht uit van zo’n menigte, die alleen maar zwijgt en toekijkt.
Dan komt een blond meisje van een jaar of zestien van de trap het perron op, zag het tafereel en bedacht zich niet lang. Met haar handen in de zij riep zij in plat Mokums tegen de agenten:
‘Fuile rotzakken! Kennen jullie wel? Ouwe mensen vangen, hè? Je mot naar ’t Oostfront gaan, dan ken je dik op je donder krijgen. […]’
Uit de zwijgende menigte op het perron kwam een golf van sympathie op haar af. Iedereen beminde haar, omdat ze zo maar, zonder zich te bedenken dééd wat we geen van allen dorsten.
Een meneer trekt haar weg, achter een krantenkiosk, omdat ze niet te stuiten is, en zegt dat het te gevaarlijk is. Hij geeft haar als troost een boterham met kaas (toen een heel geschenk). De ‘ik’ loopt mee en beiden keken ‘welwillend’ toe ‘hoe ze het opat’. Kronkel sluit ook hier zichzelf niet van de menigte uit, zowel niet wat betreft de gemeenschappelijk sympathie als ook niet bij de gemeenschappelijke bangheid. Het meisje ziet hij later nog wel eens in de stad lopen, nu een moeder met drie kinderen. Misschien zou ze het nu niet meer durven, denkt ie, maar hij groet haar altijd ‘met de eerbied van een schuldenaar’.
Enerzijds zijn het meisje en de conducteur uit ‘Consequent’ (1949) uitzonderingen, omdat bij haar de suggestie doorklinkt dat zij te jong was om goed te beseffen wat ze doet, en bij hem omdat zijn ‘nijdig schoolmeestersgezicht’ het gewoon maakte dat hij iedereen de les las. Van uitzonderingen kun je zoiets verwachten, is de gedachte, maar een normaal mens denkt toch wel drie keer na voor hij zo tegen Duitsers durft op te treden. Ook hier staat Kronkel op dit punt zonder meer aan de kant van de ‘gewone mensen’, maar niet zonder er veel werk van te maken te tonen hoeveel verzet er bij de mensen leeft. Hij toont voorzichtige zwijgzame interactie van Kronkel met de man en het meisje (‘Antwoord’ 1958), en in de genoemde interactie van het handenschuddend afscheid nemen. (‘Herinneringen aan de heer Cohen’ 1947) De eenzaamheid van de bijeengedreven groep laat hij ook duidelijk uitkomen.
Alle wachtende reizigers keken. Naar de oude mensen, die gelaten bijeen stonden. En naar de bewakers, die probeerden een bruikbare houding te vinden. (‘Antwoord’ 1958)
Als je naar de formulering kijkt van de in drieën gekipte zin, dan ligt de nadruk op het kijken. Van de dreigende kracht tegen de Schalkhaar-agenten lijken de ‘gelaten’ joden weinig of niets te merken.
Dat er in 1947 en 1958 Kronkels over deportaties in de krant stonden, is vroeg als je in aanmerking neemt dat de Jodenvervolging in de jaren ’50 bijna uit het collectieve geheugen weggewist leek en pas bij het Eichmannproces de belangstelling ervoor toenam.[11] Een boek als Het bittere kruid van Marga Minco verscheen pas in 1957.
Op 8 mei 1948 herinnert de Kronkel aan de eenheid die er bij de bevrijding heerste, en hoe iedereen dacht, dat ze nooit meer zouden ophouden met lachen om de Duitsers, hoe ze allemaal na de oorlog flink de handen in elkaar zouden slaan, en ferm de schouders eronder.
We bouwen flink op. […] En―nou ja, dat eindeloos lachen is misschien een beetje tegengevallen. Maar je kunt toch ook niet voortdurend aan de kant van de weg blijven jubelen? De Canadezen zijn allang weer thuis.
Wat hij wel betreurt is dat de Stichting 1940-’45 veel meer geld nodig heeft voor de nabestaanden van oorlogsslachtoffers dan ze kan loskrijgen: ‘Had u dat nu gedacht, vier jaar gelden? Ik niet.’ (‘Weet u ’t nog’, 1948)
De Duitsers beschrijft hij niet stereotiep slecht, ze nemen vooral als ze jong zijn verschillende gedaanten aan. De ene keer is er een Duitser met een ‘paars smoel’, die ‘hese Pruisische paardentaal’ spreekt, (‘Warum denn?, 1945’) dan weer een die laat zien dat er ‘heel vaag (…) ergens een gewoon menselijke reactie [functioneert]’. Of de Duitser die een fiets vordert voor zichzelf, en dan met de buit wegfietst; ‘―haastig toch, als iemand met een slecht geweten.’ (‘Der Paul’, 1945) Beide voorbeelden zijn nog tijdens de oorlog gepubliceerd.
Wrevel of onenigheid tussen onderduikgever en onderduikers gaat hij niet uit de weg. Een vriendin van Kronkel, een onderduikster, werd gedwongen te proberen haar zwangerschap te onderbreken. (‘Moed’,1956) Ze was terecht gekomen in een villa in het zuiden des lands die toebehoorde ‘aan een even strenge als principiële oude dame’, waar de onderduikers verbleven in een laag, donker hok, via de kelder en een luik daarin te bereiken. Alleen op etenstijd mochten ze eruit. Toen de vriendin de mevrouw verwittigd had dat zij in verwachting was geraakt, mocht ‘dat kind’ niet geboren worden. De aanstaande moeder moest van de vrouw tientallen keren van een kastje springen, teneinde de zwangerschap te verstoren.
Terwijl de andere onderduikers uit het hok toekeken, deed [de vriendin] braaf wat haar bevolen was, maar ze glimlachte erbij en zei bij elke sprong: En ik krijg ’t tóch…, En ik krijg ’t tóch…
Kronkel bestudeert in 1956 een foto van haar inmiddels twaalfjarig zoontje, Japie Cohen, die een opstelwedstrijd over het onderwerp ‘Moed’ gewonnen had.
‘Kunst. Het zit gewoon in de familie,’ denkt Kronkel.
De mensen naar wie van begin af aan Kronkels sympathie uitging zijn mensen als Jantje, die ‘ondergronds zwoegden voor een toekomst die later zo tegenviel’, en die na de oorlog op achterstand zijn geraakt. (‘Rechtsherstel’, 1948)
Hij is een stille aarzelaar met beminnelijke principes, die hij in de oorlogstijd struikelend trouw bleef, door aan stencilmachines te draaien en gejatte bonkaarten in een buideltje op de rug met zich mee te voeren […].
[…] want hij is zo’n illegaal die nu eens niét zegt dat hij het later nooit weer zal doen, omdat de euvele wereld nooit ‘dankie’ heeft gezegd.
Jantjes inboedel was helaas door de Duitsers kort en klein geslagen, maar hoewel hij daarvoor gecompenseerd was uit de boedel van landverraders met een NSB-stoel, -bed, en -pannetjes, was de landverrader in no time op vrije voeten, omdat zijn straf ‘was vervluchtigd tot licht geval’. Nu wilde de oud-NSB’er alles terug en viel hem lastig.
Soms als ik bij hem op visite zit, komt het lichte geval lawaaierig bellen en wil, met een heer die ook niet in zijn eerste ‘hou zee’ gestikt is, het bed naar buiten dragen. Mijn vriend pleit dan zachtjes voor nog een paar nachtjes, er wordt getelefoneerd met ambtenaren en eindelijk gaan ze weer weg, grommerig en met de deuren slaand.
Als Jan nu niet zo bitter weinig verdiende zou ie zelf wel een paar pannetjes kopen, maar dat kan er echt niet vanaf. Kronkel zal eens gaan praten over steun van het ‘Dagboekfonds’.[12]
Jaren ’60 tot 70
In 1960 mengt Carmiggelt zich in de discussies, die het Eichmannproces van april tot december 1961 oproept.[13] Door deze publicaties raakte het uitzonderlijke karakter van de Duitse vernietigingspolitiek veel meer bekend, met als gevolg, dat het gebrek aan solidariteit van de niet-joodse Nederlandse bevolking door een opkomende groep schrijvers en kunstenaars aan de orde gesteld werd, al was die visie nog niet representatief voor de heersende visie op de oorlog.[14]In Nederland werd op 12 april 1961 een grote ‘Proces Eichmann’-bijeenkomst georganiseerd, die geleid werd door dominee Buskes, met als sprekers o.a. Nico Rost en Rabbijn Soetendorp; Marga Minco las twee hoofdstukken uit Het bittere kruid voor, en er werd een brief van Hella Haasse voorgelezen.[15]
Een jaar eerder had Ds. Buskes op 13 augustus 1960 in Het Vrije Volk een fel betoog gehouden waarin de zin voorkwam:
Hebben wij niet allen, wanneer het om de redding der joden ging, met zeer dubieuze redeneringen ons geweten gesust, dubieus wanneer men zich realiseert wat er voor de joden op het spel stond?
Hierop komt kritiek, o.a. van Willem Drees jr., en Carmiggelt maakt in de Kronkel van 15 augustus 1960 bezwaar tegen de zin van Buskes. ‘Allen? Dan toch ‘bijna allen,’ zegt Kronkel. De kleine kanttekening van Kronkel gaat over ‘zijn vriend Piet’, met kinderen, die een joods meisje in huis had, dat door de buurman verraden werd; het meisje slaagt erin te ontvluchten, maar vriend Piet wordt meegenomen, in een concentratiekamp gestopt alwaar hij door ontberingen omkomt. Vriend Piet, aldus biograaf Van Gelder, verwijst naar Carmiggelts oudere broer Jan, met niet geheel maar toch bijna hetzelfde verhaal. Kronkel verzoekt Buskes ‘bijna’ toe te voegen in de zin:
‘maar hebben wij niet bijna allen ons gevoel gesust (…)’
omdat Buskes in het krijt staat ‘voor dat ene woordje bij al die levende en dode- onderduikmoeders en -vaders van Nederland’. Wat Buskes binnen vier dagen per brief toevoegt.
De ik-figuur Kronkel trekt zich ook hier weer achter een constructie van vrienden terug, de onderduikvaders en -moeders in Nederland die het al of niet overleefd hebben. Door alleen ‘bijna’ toe te voegen suggereert hij toch, dat buiten die getalsmatig kleine groep wel degelijk sprake was van ‘het sussen van het gevoel bij het denken aan wat er voor de joden op het spel stond.’ Deze Kronkel is helaas niet opgenomen in de bloemlezing noch wordt ernaar verwezen.
In het volgende jaar 1961 laat Kronkel in ‘Eli’ zien hoe joden en niet-joden ongewild tegenover elkaar kwamen te staan terwijl al bestaande vooroorlogse tegenstellingen niet onbenoemd bleven. (’Eli’,1961) In het eerste deel van Eli vertelt de ik-figuur hoe hij bij een Joodse klasgenoot van hem thuis het gevoel had toch nooit helemaal opgenomen te zijn. Toen hij een keer ruzie met zijn vriend maakte, werd hij voor ‘Jezuskop’ uitgescholden, wat hem indeelde bij een groep ‘waartoe hij het gevoel had niet te behoren’. Een tijd later aan het begin van de oorlog is de ‘ik’ geregeld klant bij het antiquariaat dat zijn oud-klasgenoot Eli inmiddels bezit. Tot zijn vreugde ziet hij er nog een boek van de inmiddels tot de verboden schrijvers behorende Tucholsky staan. De antiquaar, verschrikt door de vondst, wil het boek niet verkopen, en biedt een door de nationaalsocialisten toegejuichte boerenroman aan. Dan begrijpt Kronkel door Eli voor provocateur aangezien te worden, die ervan verdacht wordt de antiquaar aan te willen geven bij de politie. Weer werd de ‘ik’ bij een groep ingedeeld waartoe hij niet behoorde en ontstaat buiten hem om een vijandbeeld. Zo ver zijn we al gekomen, denkt hij vol schaamte en walging. Na de oorlog behoort de zaak aan een ander en de ‘ik’ zal hem nooit meer betreden. (‘Eli’, 1961)
Als Carmiggelt probeert met details de vooroorlogse joodse gemeenschap te tekenen, met name in de winkelbranche, gaat dat met een grote mate van (wat tegenwoordig heet) ‘othering’ (iemand tot de ander bestempelen) gepaard. Dit geldt meestal niet voor de persoonlijke contacten. Bij ‘Eli’ lijkt het alsof andersom het ‘tot ander bestempelen’ meer vanuit het joodse gezin voortkomt (Jezuskop) dan vanuit Kronkel zelf, en in ‘Herinneringen aan de heer Cohen’ komen van moeders kant stereotypen uit het handelsverkeer (stoepenier) naar voren. Ook in het laatst behandelde verhaal in dit artikel, getiteld ‘Niks’ (1978) treedt ‘othering’ op, wat beslist niet negatief uitpakt, bv als een bakkersvrouw op de markt over vooroorlogse joodse kooplui spreekt voor wie ze kadetjes opensneed: ‘Ik sneed ze door voor die mensen. En dan deden ze er zelf in de winkel boter op. […].
Een andere keer in het Eichmannjaar beschrijft hij in ‘Dubbelportret’ (1961) een bevriend echtpaar, dat steeds inschikkelijk aangeeft, dat ze blij mogen zijn dat ze er doorheen gekomen zijn: ze hebben de hele familie ‘verloren aan de Duitsers’ en hun hele vermogen ‘aan een paar bepaald niet onbaatzuchtige heren, bij wie ze ondergedoken zaten’. Toevallig ontmoet Kronkel de zoon van de onderduikgevers als hij bij het echtpaar op bezoek is, bij welke gelegenheid de vrouw vergoelijkend vertelt dat die zoon hen chanteerde door te dreigen hen op school te verraden als ze hem geen kwartje gaven.
‘En dan betaalden we dat kwartje maar, hè Joop? Ach, hij was nog maar een kind.’ Joop lachte feestelijk, gelijk iemand die het middelpunt is van een aardige anekdote. […] Joodse humor is, geloof ik, het geheimzinnig vermogen te glimlachen om de vreselijkste dingen.
Op 18 december 1963 in ‘Gezellig’ (1963) dringt de tv-serie De bezetting, van L. de Jong van 1960 tot 1965 door in de Kronkel. Het gaat om een echtpaar waarvan de vrouw om onduidelijke redenen op een avond per se uit eten wil, en daarna ook nog per se nog naar een bar om iets te drinken. ‘Het orkest speelde lauwe limonade […].’ En als de man het daarna verdomt om nog ergens anders heen te gaan, komt hij pas te weten dat zij het doet omdat ze niet wil dat hij die avond op de tv De bezetting zal zien met het onderdeel over de kampen.
Binnen was niemand, zelfs geen ober. Ze gingen zwijgend zitten, twee kleine, oude verknochte mensen. Hij keek haar aan, glimlachte en zei: ‘Gezellig.’
Over de vijand heeft Kronkel nog steeds een genuanceerd beeld. In 1963 beschrijft hij een jonge ingekwartierde Duitser, die elke ochtend zwaait naar het ‘oude kinderloos echtpaar’ dat dagelijks bij het raam staat om terug te wuiven als hij langs fietst; hij was er eerder ingekwartierd. (‘De Vijand’, 1963) In hetzelfde jaar schrijft hij over Duitsers die in een dorpscafé bij de IJssel zaten en volgens de kastelein in ’44 zo bang waren om te vechten, dat ze zich vol-zopen en door anderen naar de frontlijn moesten worden gesleept. (‘Toen’, 1963)
Jaren ’70-87
Niet iedereen voelt zich ook even bevrijd na de oorlog en neemt even enthousiast deel aan herdenkingen en bloemen leggen. De ‘ik’ is met zijn vrouw een trouw bezoeker van herdenkingen, maar nu, zo schrijft hij in 1973, slaat hij een jaartje over. Hij heeft bezoek van een jongere vriend, die als enige in zijn ouderlijk gezin gered was omdat zijn vader, vlak voor ze de veewagens in moesten, geroepen had: ‘Japie, lópen.’ Bloemen leggen maakt de vriend woedend, hij zou er liever een drol neerleggen, zo weinig was er van de bevrijding gemaakt. (‘De dagen’, 1973)
De heroïsche eendracht is er helemaal uit in de jaren zeventig. In de Kronkels blijken vele typische landgenoten niet vies van geld verdienen aan de oorlog, zoals ‘Een Nederlander’ die werkelijk aan alles geld verdient.
Van hoofd tot voeten was hij opgetrokken uit het realisme van iemand die zelfs aan de zondvloed geld verdient […] ‘ik rommelde veel met die moffen, allerlei artikeltjes, want er zat dik poen bij die jongens en aan schaarste valt altijd te verdienen. (‘Schaarste’, 1973)
‘Hoe kun je nou vergeten,’ zegt een man die bij een Baptistenechtpaar ondergedoken had gezeten waar hij elke dag suikerbieten te eten kreeg, terwijl het paar wel zijn bonkaarten confisqueerde. Toen er een keer pannenkoeken gebakken werden, moesten ‘alle onderduikers naar bed’ toen de pannenkoeken klaar waren. Hij had in bed liggen huilen, niet om de pannenkoek, maar om de onmacht. (‘Geuren’, 1971)
In ‘Een ruiltje’ (1976) beschrijft hij iemand die aan grote ladingen jenever kon komen en met ruilen goede zaken deed.
Ik kwam niks tekort. Ik heb geen kwaad gedaan. Ik heb ook geen goed gedaan. Maar dat kwam ook niet op m’n weg. Nou ja ―een keer misschien…
Als een oud-klasgenoot, David Levi, op z’n weg komt terwijl hij bezig is jenever tegen gouden tientjes te ruilen, ziet hij de jongen verheugd opspringen: ‘Hij dacht zeker dat ik hem kwam helpen’, zei de man schamper. ‘Maar ik kwam alleen een ruiltje maken. Op nummer 19.’ Geen kwaad gedaan, maar ook geen goed gedaan, mooi er doorheen gezwijnd, vindt hij zelf.
In die tijd komen ook de ‘snoevers’ naar voren, die allerlei prachtige daden verricht zouden hebben. In 1975 laat hij de opschepper zien, die in een treinwachtkamer een ouder paar probeert te imponeren met zijn verhalen over Duitse gevangenisbewakers die hij ‘met blote vuisten uitdaagde’. De bescheiden echtgenoot reageert met: ‘ik was nogal bevreesd in die nare tijd.’ Een goed teken is het bij Kronkel als iemand durft te zeggen dat ie bang was. (‘Uur’, 1975)
In een late Kronkel uit 1981, twintig jaar na zijn discussie met dominee Buskes, beschrijft hij in ‘Een Schuldgevoel’ een heel specifiek geval van de schuld van afzijdigheid. Kronkel ziet in Nice een Nederlander, die heel nauwgezet alle namen op een oorlogsmonument spelt. Als eigenaar van een eenmansbedrijf had hij de toenadering van zijn enige employé, Brenda Cohen, vroeger afgewezen, omdat hij al op een ander (een veel wereldser vrouw) verliefd was. Hij was er echter intuïtief op tegen, dat Brenda zich daarna voor geld naar Portugal zou laten brengen door een nieuwe geliefde; maar zij luisterde niet. In Parijs bleek die man haar verraden en aangegeven te hebben. Nu denkt hij: ‘Schuldgevoel― wat is dat? […] Ik was verliefd, maar niet op Brenda. Nou, als ouwe vent denk ik―had haar maar gekust. Dan zou ze misschien naar me hebben geluisterd.’ (‘Een schuldgevoel’, 1981)
Zonder enige pathos
Net zoals naar de ondergrondse zwoegers als Japie ging ook van begin af aan Kronkels speciale sympathie uit naar de zwijgzamen. Drie en dertig jaar na de Bevrijding, in het jaar 1978 schrijft hij in ‘Niks’ (1978) over een oude vrouw op de Lindengrachtmarkt. Ze sprak hem aan en zette haar boodschappentas daarbij even op de stoep om hem over de markt van vroeger te vertellen, over Joodse kooplui die bij haar man, die hier warme bakker was, kadetjes kwamen kopen. Nu het hele citaat:
‘Ik sneed ze door voor die mensen. En dan deden ze er zelf in de winkel boter op. En ’t beleg dat ze bij zich hadden. Ach ja, zo ging dat in die jaren.’
Ze glimlachte. ‘’t Had iets gezelligs’, zei ze.
Weer knikte ik. Eigenlijk zag ik het wel voor me.
‘Ik denk nog vaak aan die mensen’, zei ze, zonder enige pathos. ‘D’r gaat geen dag voorbij of ik denk wel aan ze’.
Na het verhaal over haar Joodse buurman, een kleermaker, die alleen over is omdat zijn vader en broer niet wilden vluchten, tilde ze haar boodschappentas weer op en zei ‘bijna verlegen’:
‘En onze enige zoon hebben we ook verloren op de Waalsdorpervlakte.’
Daarom wijst ze Duitsers nog steeds de verkeerde kant op als ze de weg vragen. Haar glimlach was nu een beetje ondeugend.
‘En u weet, meneer’, zei ze, ‘dáárheen is niks!’
Ellen Krol
[1] Kester Freriks, NRC, 23 april 2025 en Paul van der Steen, Trouw, 1 mei 2025.
[2] Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh, ‘Van slachtoffer tot toeschouwer’. In: Vier lichte letterheren. Red. Anne-Marie Lücken, Aad Meinderts, Dick Welsink. 1999, p. 67-71.
[3] Henk van Gelder, Carmiggelt het levensverhaal. Amsterdam 1999. Ook: Henk van Gelder, ‘Dramatische punten en logische lijnen, De politieke keuzes van Jacques van Tol en Simon Carmiggelt.’ In: Biografie Bulletin 11 (2001), p. 236-238, bespreekt hij diens zelf gekozen ontslag bij Het Volk in 1933, en zijn weigering voor de Kultuurkamer te tekenen, toen hij perschef was bij het Residentie Toneel in Den Haag.
[4] Madelon de Keizer, Het Parool 1940-1945, Verzetsblad in oorlogstijd. Amsterdam 1991, passim. Jos Sinnema, Niet buigen niet bukken. Uitgave Stichting Democratie en Media Amsterdam 2025, p. 107 ev.
[5] Van Gelder, p. 172.
[6] Het gaat mij dus om bovenstaande thematische vragen en niet om de literaire waarde van de Kronkels en de inkleding van de plot, hoe interessant ook.
[7] Frank van Vree, Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging 1945-2024. Almere 2024. Met name hoofdstuk 2.
[8] Kronkel is in deze tijd nog eerder slachtoffer dan toeschouwer. Zie noot 2.
[9] Zie o.a. Madelon de Keizer, Verzetsblad in oorlogstijd, p.491.
[10] Ellen Krol, Onbevrijd gevoel, Schrijvers over de Jodenvervolging en daarna. Groningen 2024. ‘Herinnering aan de heer Cohen’, en ‘Eli’ zijn beide ook opgenomen in Uitverkoren, gekozen door Beccy de Vries. Amsterdam 1979, dat ook besproken wordt in Onbevrijd Gevoel.
[11] Met als belangrijkste uitzonderingen: Maatstaf en Podium. Marije Groos, Een hard en waakzaam woord. Engagement in de literaire tijdschriften van de ‘lange jaren vijftijg’ 1950-1963.Hilversum 2016, Hoofdstuk 2. p. 86-167.
[12] NSB-stoel en Dagboekfonds worden in recensies o.a. genoemd als zaken die geannoteerd hadden moeten worden.
[13] Het Eichmannproces is tussen april en december 1961, met op 31 mei 1962 de executie van Eichmann.
Over Jan Carmiggelt: Henk van Gelder 1999, p. 7-10, ‘Veel doneer ik dus niet.’
[14] Marije Groos, Een hard en waakzaam woord. Hilversum 2016, Hoofdstuk 2, p. 86-167.
[15] Frank van Vree, Almere 1924, p. 144.
(foto: Stadsarchief Amsterdam, Collectie Eric Dix)

Heb het besproken boek nog niet gelezen. De doorwrochte beschouwing van Ellen Krol is ronduit te prijzen, haar talrijke voorbeelden zijn aansprekend, verontrustend en troostrijk. De anekdote over het dappere 16-jarige meisje uit de titel (‘Je mot naar het Oostfront gaan, dan ken je op je donder krijgen’) bracht me tot tranen. Moet gauw naar de winkel, om het boek thuis te kunnen verslinden.