In een openbaar bericht op Facebook lucht Mariët Meester haar hart over  ‘would-be-schrijvers’ die haar (een ‘echte’ schrijver) om een dienst vragen, zoals het lezen van hun manuscript of het introduceren bij een grote uitgeverij:

[W]at een vervelend slag is dat toch. Met het heilige doel voor ogen (hun naam op een boek!) verliezen ze alle fatsoensnormen uit het oog. Ontelbare keren heb ik me voor zulke mensen ingezet, vrijwel altijd is dat vervelend afgelopen.

Meester kan zich maar één respectvolle situatie herinneren. Voor de rest is het huilen met de pet op:

[W]anneer onbekenden me een manuscript sturen en ik ben zo vriendelijk ze mijn bevindingen te vertellen, zijn ze beledigd dat het niet volmaakt was en hoor ik er daarna nooit meer iets van. Wat professionelere types, die me bijvoorbeeld vragen een inleiding voor hun boek te schrijven of ze te introduceren bij een grote uitgeverij, ‘vergeten’ me tijdens de presentatie te bedanken. En laatst heeft een kennis me een dermate beroerde tekst gestuurd, dat ik lang heb gezwoegd op een leesrapport. Ik ontving een bericht terug waarin stond dat hij zijn ‘boek’ ook aan allerlei anderen had gestuurd, en dat hij later wel ging kijken wat hij met de opmerkingen zou doen.
De afgelopen week vond wederom een scribent die ik een dienst had verleend het nodig me rechtsom te passeren, zodat ik heb besloten dat vanaf nu niet meer ikzelf door de plee zal worden gespoeld, maar ieder toegezonden manuscript.
Meester sluit haar bericht toepasselijk af met een afbeelding van een stapel toiletpapier.

(Screenshot uit dit interview met Mariët Meester over Een vrij leven)