‘Maar er zijn platanen, pleinen en cafés’

Wacht op een herfstdag, met de ondertitel 66 gedichten uit de eenentwintigste eeuw, is een mooi uitgegeven bloemlezing uit een zestal bundels van de Poolse dichter Adam Zagajewski (1945-2021): Terugkeer (2003), Antennes (2005), De onzichtbare hand (2009), Asymmetrie (2014), Het echte leven (2019) en, postuum, Driekwart (2024). Karol Lesman stelde de bloemlezing samen, voorzag hem van een uitleiding en vertaalde hem. Hij deed dat zeer goed: de gedichten lezen als oorspronkelijk Nederlands.

De bloemlezing bestaat uit parlandogedichten die zich vrijwel allemaal afspelen in steden in Polen of elders in Europa. Het van oudsher multi-culturele Lwów, tegenwoordig het Oekraïnse Lviv en voorheen het Oostenrijk-Hongaarse Lemberg was Zagajewski’s geboorteplaats, maar al voor zijn eerste verjaardag verhuisden zijn ouders naar Gliwice in Opper-Silezië, omdat de Sovjets de stad hadden geannexeerd. Hij probeerde met zijn poëzie het verleden op te roepen, want het leven was in relatief korte tijd onherkenbaar veranderd. Zijn grootouders in Lwóv werden getekend door de Tweede Wereldoorlog, hijzelf groeide op onder het communistische marionettenregime, omringd door de puinhopen die de Duitsers en Sovjets hadden achtergelaten. In de tijd dat hij de zes bundels schreef, behoorde zijn jeugd in het communistische Polen inmiddels ook tot een ver verleden.

Soms slaagde Zagajewski erin het verleden te actualiseren. In ‘Ravenna’ schemert het verleden door het heden als hij door de stad loopt. De eerste strofe:

Deze kleine dromerige stad was ooit de hoofdstad van een imperium.
Deze bakker was een keizerlijke bakker.
Dit vuur brandde hoog.
Deze kleermaker boog zich over brokaat.
Deze wielewaal zong in de taal van de goden.

Opvallend is de plaats die de stadsnatuur inneemt: parken, bomen, struiken, af en toe een mus of gierzwaluw. Ze weerspiegelen de stemming van de dichter of het zijn ankerpunten voor het verleden. In ‘Jardin du Luxembourg’ is natuur een compensatie voor een gemis: ‘Ik weet het – deze stad kent geen geheim meer. / Maar er zijn platanen, pleinen en cafés, beminnelijke straten / en de heldere blik van de wolken die langzaam dooft.’

Een tweede constante in de bloemlezing is de reflectie op poëzie. De dichter spreekt zich soms uit over het wezen ervan: ‘Poëzie is zoeken naar schittering’. Of: ‘Poëzie is blijdschap waar wanhoop onder schuilt. En onder / die wanhoop ligt opnieuw blijdschap’. Eén gedicht is zelfs in zijn geheel gewijd aan het schrijven van poëzie. Een paar regels: poëzie is ‘een gesprek waarin het laatste woord ontbrak, / de grote pauze op een school waarvan de leerlingen / er niet meer zijn’. In zulke metaforen was Zagajewski zeer sterk. De volgende, over ritme, is geweldig: ‘Dolfijnen in de buurt van Freeport: hun favoriete, / eeuwige beweging – als het symbool waarmee geleerden een / jambe aanduiden.’

Zagajewski verwijst in zijn bundels regelmatig naar dichters die hij bewondert, zoals Gunnar Ekelöf , Czesław Miłosz, Marianne Moore en de Sloveen Tomaž Šalamun, met wie hij bevriend was. Na de dood van Milosz schreef Zagajewski een onvergetelijk gedicht, en daarom citeer ik het in zijn geheel. De meeste van zijn thema’s komen aan de orde: het stadsleven, de natuur, het vergeefs zoeken naar kennis van het mysterie dat leven heet (en dat is een zegen, want het vervullen van het verlangen is het einde van de droom), contemplatie en het dichterschap.

Een groot dichter gaat heen

[Denkend aan C.M.]

Er verandert werkelijk niets
in het gewone daglicht,
als een groot dichter heengaat.
In de kruinen van de oude olmen
wordt nog altijd hartstochtelijk geruzied
door grijze mussen en voorname spreeuwen.

Als een groot dichter heengaat
houdt de stad allerminst halt, metro
en trams zijn nog altijd op zoek naar de moderne graal.
In een bibliotheek is een mooi meisje
vergeefs op zoek naar een gedicht dat
haar de waarheid over alles zal vertellen.

’s Middags weerklinkt hetzelfde rumoer als altijd,
’s nachts heerst stille concentratie,
te midden van sterren – eeuwige onrust.
Nog even en de discotheken openen hun deuren,
onverschilligheid biedt zich aan –
ondanks het feit dat er juist een groot dichter is gestorven.

Maar als wij voor lange tijd
of voorgoed afscheid nemen van iemand van wie wij houden
voelen wij plotseling dat wij de woorden missen
en dat wij nu zelf moeten spreken,
dat niemand dat meer voor ons zal doen,
– want een groot dichter is heengegaan.

De laatste strofe zou een frase in een gesprek kunnen zijn, er niets poëtisch aan – heel functioneel dus, want de dichter laat hiermee zien dat het niveau van Milosz onbereikbaar is. Maar kijk eens naar de voorgaande strofen: de dichter weet het onherstelbare verlies wel degelijk onder woorden te brengen! Hij maakt zijn verdriet voelbaar via een omweg: de bevreemdende ervaring dat alles gewoon doorgaat, terwijl er een groot dichter is heengegaan – iets wat hij in iedere strofe herhaalt. Daar spreekt wanhoop uit. Desondanks beschouwt de dichter zijn woorden als ontoereikend, maar hij heeft geen andere. Hij moet zelf spreken, want Milosz is er niet meer. Een grotere ode kun je niet brengen.

Een aanwinst, deze bloemlezing.

Hans Puper

Adam Zagajewski – Wacht op een herfstdag. 66 gedichten uit de eenentwintigste eeuw. Samengesteld, uit het Pools vertaald en van een uitleiding voorzien door Karol Lesman. Plantage, Leiden. 103 blz. € 18,50.