Een chronisch absenteïsme

Jacques Vrede, de hoofdpersoon van de roman De linkerhand van Alfred Kossmann, is in alle opzichten onsympathiek. Hij is zo hooghartig als een corpsstudent, speelt voortdurend nare machtsspelletjes met vrouwen en zijn nooit eindigende gedachten over seks zijn ronduit smoezelig.

Ondertussen bekeek ik haar. Zij zat slordig op een rechte stoel aan de eettafel en het trof mij als obsceen dat haar lichaam van boven tot onder te volgen was onder de strakke kledij.

Vrede is begin dertig en heeft zoveel kapitaal dat hij eigenlijk niet hoeft te werken, maar om toch bezig te zijn stelt hij gedenkboeken samen voor jubilerende bedrijven. Verder brengt hij veel tijd door in cafés en zint op manieren om mensen uit zijn omgeving onder controle te houden. Zijn eerste doelwit is Atie, de twintigjarige dochter van zijn hospita. Als haar moeder een been breekt en een paar dagen in het ziekenhuis verblijft, slaat hij toe. Hij troont haar mee naar een feestje en als ze weer thuis zijn weet hij haar zover te krijgen dat ze zich voor hem uitkleedt. Maar dan komt de aap uit de mouw: Jacques Vrede zegt dat hij impotent is en maakt zich vervolgens uit de voeten. Omdat de auteur dit  verder niet toelicht, blijft onduidelijk of de man werkelijk impotent is of dat het om een zoveelste manier gaat om een vrouw te vernederen. Een dag later verklaart hij haar de liefde en houdt daarbij een onnavolgbaar betoog.

‘Ieder mens heeft een zuid- en een noordpool,’ zei ik, ‘maar deze polen zijn voor ieder anders. Er zijn mensen voor wie succes of geen succes de uiteinden zijn van de as waarom hun wereldbol draait. Bij anderen zijn het gewoon geluk of geen gewoon geluk, zin of onzin, vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid; bij mij zijn het eenzaamheid of geen eenzaamheid. Ik ben een wereldbol, zoals iedereen en mijn noordpool is eenzaamheid, mijn zuidpool gemeenzaamheid.’

Atie is zo verstandig om hem niet serieus te nemen. Daarna richt hij zijn pijlen op de onderwijzeres Bea, die – zo blijkt – een akelig geheim met zich meedraagt: haar ouders waren in de oorlog bij de NSB en na de bevrijding is zij door buurjongens als moffenhoer kaal geschoren. Een neef, die van deze gebeurtenis een  foto bezit, chanteert haar hier bijna tien jaar later nog steeds mee.

Ze stond in het midden, tussen een aantal opgeschoten jongens, die lachten alsof ze een voetbalwedstrijd hadden gewonnen; één van hen had een tondeuse in de hand, een andere knipte met een schaar brutaal in het haar. En zij, het gezicht zonder bril schuin naar beneden gericht, keek toch in de lens van het toestel, met een zeer droevig berusten in de opgeslagen ogen en in de glimlach om haar mond.

Samen met een vriend zorgt Jacques ervoor dat deze chantage stopt, het enige positieve element in het hele boek. Maar ook met Bea speelt hij een spelletje. Uiteindelijk bekent hij dat hij haar enkel heeft geholpen om haar in zijn macht te krijgen.

De linkerhand was de derde roman van Alfred Kossmann (1922-1998), die laat in zijn carrière de Librisprijs zou winnen voor het boek Huldigingen (1996). De auteur probeert in De linkerhand het zo voor te stellen dat zijn hoofdpersoon halverwege het verhaal een bewuste beslissing neemt over zijn opstelling in het leven. Na het echec met Atie wil hij zich voortaan laten beheersen door zijn jarenlange opgespaarde rancune en woede.

Ik had altijd als een rechtshandige geleefd maar nu, zonder dat ik mij kon verzetten, met een kracht die mij verbaasde en verrukte had mijn linkerhand het gezag overgenomen.

Daarvoor was hij naar eigen zeggen ‘braaf en humaan’ geweest. ‘De tijd van de weifelingen is voorbij, de tijd van de schijn is voorbij, de tijd van de maskerade is voorbij en hier staat, trots en belust op wraak, de impotente Jacques Vrede.’ Probleem daarbij is dat de hoofdpersoon voor dit moment in het boek ook al een naargeestige en onappetijtelijk man was, er is eerlijk gezegd geen duidelijke breuk in het verhaal waar te nemen. Kossmann noemde Jacques Vreede later een man die ‘amok’ maakte om zijn ‘levensvorm’ te doorbreken, maar jammer genoeg wordt dat in het verhaal totaal niet waargemaakt. Veel van wat hij met de ‘linkerhand’ uitvoert is trouwens ronduit kinderachtig. Zo leent hij een (ongeladen) revolver en bedreigt daarmee Atie en haar vriendje. Hij dwingt hen om zich uit te kleden en onder zijn ogen seks te bedrijven. Veel plezier beleeft hij hier echter niet aan.

Pijnlijk genot zag ik in de trillend opeen geperste mond en later meende ik trots te zin in opengesperde neusvleugels waardoor de adem heftig in- en uitging. En toen de jongen tot rust kwam, gooide zij het hoofd om en toonde mij triomferend haar ogen, wazig, befloerst en haar gehele gezicht rood van liefde.

Soms duikt in het boek een beschrijving op, die enigszins los staat van de algemene misère, zoals deze beschrijving van een straat in Rotterdam.

Het was een dag van mist en de schemer viel vroeg in. Het duister van de winkelstraat waar ik op wacht stond was doorschoten van al die soorten licht: lampen, hoog boven de rijweg, hier en daar etalages, auto’s, trams, fietsen. Het was een straat die bijna was vol volgebouwd maar nog niet aaneengegroeid. Het oude stuk, onverwoest, had een allure van ordinaire gulheid door de volkswinkels, het glimmend asfalt, de kinderen uit de zijstraten die iedereen voor de voeten liepen; en de pikanterie van de kroegen, uitnodigend en toch gesloten, was slonzig en eenvoudig.

Het is moeilijk om de bravoure van de hoofdpersoon te volgen en al helemaal om zijn situatie, door de schrijver duidelijk als tragisch beschouwd, serieus te nemen. De volgende passage is daar een voorbeeld van:

Ik ben een man nietwaar, maar ik zou een vrouw willen zijn. Ik zou als vrouw opnieuw willen beginnen en van de geboorte af aan alles meemaken: het vadertje en moedertje spelen, het schrikken van de eerste menstruatie, de trots en de verbazing om mijn groeiende borsten, de verliefdheden, eerst op mijzelf, dan op een man van veertig met grijzende haren, dan op een jongen met pukkels, de pijn  van de ontmaagding, de zwangerschap, de triomf van een baby.

Een criticus noemde het boek bij verschijnen een ‘vrij theoretisch en literair geval’, een andere recensent sprak van ‘uitermate kinderachtig ressentiment’. Maar het boek werd ook een  ‘ongelooflijk knap geschreven verhaal’ genoemd en ‘een demonstratie van auteursacrobatiek’. Jan Greshoff, die in datzelfde jaar Philip en de anderen van Cees Nooteboom bejubelde, schreef over Kossmann dat hij ‘een natuurlijk overwicht op zijn lezers’ had en roemde de ‘overtuigingskracht’ van het boek. ‘Dr. Jacques Vrede doet,’ zo schreef hij in Het Vaderland, ‘gedreven door de karikaturale wanhoop over zijn staat, de dwaaste, de onverkwikkelijkste dingen, doch niet één ogenblik houden wij op in hem te geloven.’ Het boek was volgens hem ‘een der hoogtepunten van de jonge Nederlandse letterkunde’

Grappig is nog wel dat Greshoff moeite had om het woord ‘impotent’ te gebruiken. Hij schreef, uiterst omfloerst, dat de hoofdpersoon van het boek ‘wordt gekweld door het euvel waarmee, wellicht ten onrechte, Abelard méér dan met zijn scholastiek, zich een blijvende faam verzekerde. Of, om het duidelijker te zeggen: hij lijdt op een bepaald gebied aan een chronisch absenteïsme.’

Doeke Sijens

Alfred Kossmann – De linkerhand. Amsterdam, N.V. Em. Querido’s Uitgeversmij, 1955, 114 blz. Het boek werd in 1956 herdrukt en naderhand opgenomen in de bundel Studies in paniek: De linkerhand; De hondenplaag; De bekering, Amsterdam, Querido, 1968 (Reuzensalamander). Het boek is nu alleen nog antiquarisch te koop.

Deze recensie is de zesde in een serie over boeken die in 1955, dus zeventig jaar geleden, zijn verschenen.

(foto boven, Uitreiking prijzen van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 in het Concertgebouw te Amsterdam in 1961. Voorzitter prof. Wieger Bruin (r) reikt de prijs uit aan schrijver Alfred Kossmann: Bilsen, Joop van / Anefo / Nationaal Archief, CC0)