De onderstaande bespreking komt uit 2004.

Oud nieuws

Weerloos van Frans Stüger bevat 21 scènes uit het leven van René, een jongen van een jaar of elf. Een roman kun je het niet noemen, maar er zitten wel degelijk rode draden in de korte verhalen: René komt er achter dat zijn ouders geen ‘echte’ ouders zijn maar pleegouders en zijn altijd ziekelijke (pleeg)moeder overlijdt uiteindelijk. Die René is wat je noemt een underdog, vrijwel alles gaat mis in zijn beklemde bestaan.

Stüger heeft er echt zijn uiterste best op gedaan zijn held eens flink ongelukkig te maken. Zijn vader kan geen boten bouwen, hij krijgt verkeerde cadeaus, hij poept in zijn broek, hij krijgt een kinderachtig kleine step, hij snijdt een stukje van zijn voorhuid af, hij zit per ongeluk een tijdje op een BLO-school, hij mislukt in een kerstspel, hij belandt in een weeshuis, hij raakt zijn vriendje Mario kwijt, hij verdrinkt bijna en dat gaat zo door en door en door. En nog eens door.

Stüger presenteert in dit boek een waar scala aan jongensleed waaraan misschien alleen nog het verdwalen in de sneeuwstorm of de zielige dood van het leuke hondje ontbreekt. We kenden dit allemaal al uit Kruimeltje, Dik Trom en het werk van de onvolprezen W.G. van de Hulst, met dit verschil dat er bij Stüger geen prettige afloop is waarbij we onze tranen vrijuit kunnen laten lopen.

Hij wil alleen inpeperen en met terugwerkende kracht ook maar weer eens een triest beeld oproepen van de periode kort na de Tweede Wereldoorlog. Maar verder dan de bekende clichés over benepenheid en treurigheid komt hij niet. Ook niet in zijn stijl, alles is al bekend en geschreven.

Ik sluit niet uit dat er lezers zijn die deze doorgedraaide triestheid toch ook grappig vinden, ik bedoel: het is allemaal zo erg dat het ook weer leuk wordt. In je broek poepen als jongetje, dat is misschien toch ook leuk, moet Stüger gedacht hebben, vooral als je er allerlei details bij vertelt om het allemaal nog erger te maken. En dus haalde hij er ook nog even twee meisjes bij die de arme René verschrikkelijk zien lijden.

‘Er staat er een op het pad in zijn broek te poepen,’ schreeuwden zij.

Zouden ze dit allebei tegelijk geschreeuwd hebben? Hoe dan ook, Stüger wil dat we ons in niets over deze scène hoeven te vergissen en gooide er met die twee meisjes een schepje bovenop.

En precies dat is het bezwaar tegen dit werk: er is overal een veel te forse schep bovenop gegooid. De volwassenen in dit boekje zijn allemaal verschrikkelijk enge eikels, de kinderen snappen niets en kwellen elkaar. Het wordt allemaal tot op de bodem uitgeserveerd, we hoeven er als lezer geen moment naar te raden.

Stüger suggereert veel te weinig, hij benoemt alles van a tot z, hij sluit alle eigen interpretaties en gevoelens van lezers uit. En op het laatst kon het me niks meer schelen hoe het met die René verder zou aflopen.

Kees ’t Hart

Frans Stüger – Weerloos. Bert Bakker, Amsterdam. 124 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 13 februari 2004.