Recensie: Jesús Carrasco – Ode aan mijn handen
De lichtheid van het voorlopige
Onthechting en afzijdigheid zijn vaste waarden in het werk van Jesús Carrasco. Liefde voor kleinschaligheid en traditie niet minder. Ook in zijn nieuwste roman Ode aan mijn handen is hij de verteller van een verhaal dat verbondenheid met een oudere wereld uitdrukt. Een tijd toen mensen nog zelf hun boontjes dopten.
Uitgangspunt in Carrasco’s nieuwste is de buitenkans voor een gezin een tijd te mogen doorbrengen in een oud en vervallen huis op het Spaanse platteland. Geen huis dat je koopt of huurt, maar gewoon mag gebruiken tot het gesloopt gaat worden om, onvermijdelijk, plaats te maken voor een lucratief appartementengebouw. Want dat is vanaf het eerste begin de onafwendbare zekerheid. Dus maak er gebruik van zolang het kan.
De verteller is opnieuw een sterk met Carrasco samenvallende man, die met vrouw en dochtertjes deze kans grijpt. Van een oude, muffe, stinkende troep, achtergelaten door een vorige bewoner, zoals dat alleen in grote, dunbevolkte landen kan, maken ze er al voort klussend een provisorisch paradijsje van. Steeds in de volle overtuiging dat ze er maar even gebruik van zullen kunnen maken. Een paar maanden misschien, een jaar of in het uiterste geval twee of drie jaar. Het worden er tien.
Met de sloop permanent als stip op de horizon, stuitte elke planning van de toekomst op een grens. We moesten, of we wilden of niet, leven in het hier-en-nu.
Carrasco gebruikt de aanwezigheid van het huis, wel enigszins vergelijkbaar met Georges Perecs Het leven een gebruiksaanwijzing, maar dan dus niet in een flatgebouw, maar op het afgelegen platteland, om te mijmeren over wat van waarde is in het bestaan. Moeten we echt wel altijd een huis via een notaris in bezit willen hebben om er van te kunnen genieten, is er even kunnen verblijven niet al mooi genoeg?
Het zijn in het van woningnood kreunende, piepkleine Nederland natuurlijk tamelijk theoretische beschouwingen, maar het opgeworpen thema omvat meer dan het ‘hebben’ van een huis. Het door een kapitalistische geest gedreven Westen, kan haast niet anders denken, en er is uiteraard ook best iets positiefs over te zeggen, maar mooi is het dat Carrasco er in deze context eens even fijnzinnig bij stilstaat.
De ode aan zijn handen gaat onder meer over de niet te onderschatten waarde iets zelf te kunnen maken. Liefst zonder lawaaiige apparaten, gewoon met de knuisten dus. Carrasco’s protagonist geeft aan zijn hele leven al een fascinatie te hebben voor handen die ‘aanvoelen’ wat er gebeuren moet, zoals vaklui bijvoorbeeld ‘om een hoekje’, zonder te zien wat ze doen, puur door ervaring, een mankement kunnen herstellen. De ode is daarmee impliciet een eerbetoon aan de kennis en kunde van alle ambachtsmensen, die overal zo ondergewaardeerd zijn.
De pottenbakster maakte dit concreet door te vertellen dat ze tijdens het kneden van de klei vaak niet wist wat de volgende vorm zou zijn die ze aan het materiaal zou geven. Zijzelf had geen idee, zei ze, maar haar vingers wel. Alsof de ambachtsvrouw uit de optelsom van twee onafhankelijke entiteiten bestond, die allebei zelfstandig konden opereren. Haar vingers vonden altijd een weg, los van haar, los van haar beslissingen. Haar vingers herinnerden zich in feite iets waarvan ze niet wisten dat ze het konden maken.
Carrasco houdt van de poëzie van de soms wat excentriek ogende eenlingen en het ‘vergeten platteland’, waar naar hedendaagse stedelijke opvattingen veelal onnozele oude mensen wonen, maar waar in zijn ogen de essentie van het bestaan nog voortleeft. Misschien is dit wel het belangrijkste punt dat hij wil onderstrepen. Hij maakt daarbij weliswaar zuinigjes melding van 21ste-eeuwse dilemma’s, toch krijgt zijn visie van tijd tot tijd ook iets naïefs en larmoyants, zo hunkerend naar een Heile Welt van rondscharrelende, nog half zelfvoorzienende dorpsbewoners. Uiteraard optrekkend met lieve dieren, zoals de ezelin Beleña, door de verteller bereden als een Sancho Panza, naast een oude dorpsbewoner op zijn grote paard.
Carrasco laat niet na zijn alter ego te laten peinzen over het schrijfproces, vergelijkt situaties met die van geliefde schrijvers, kunstenaars en musici en hun werk, toch is dat schrijven niet meteen wat hij bedoelt met ambachtelijkheid. Die is beslist fysieker. Maar het, ook bedreigde, schrijven is noodzakelijk om een manier van leven en denken vast te kunnen houden, voort te laten leven, wat de meerderheid van de mensen lijkt te zijn kwijtgeraakt. Ode aan mijn handen, gepresenteerd in korte hoofdstukjes, als notities in een dagboek, valt echter beslist ook te lezen als een aanbeveling veel meer het voorlopige te omarmen en te werken met wat toevallig voorhanden is. Al was het maar omdat dat veel minder kopzorgen geeft.
André Keikes
Jesús Carrasco – Ode aan mijn handen. Vertaald door Jos Kockelkoren. Meulenhoff – Amsterdam. 288 blz. € 22,99.
