Recensie: Margaret Laurence – De stenen engel
Een even koppige als tragische antiheldin
Wie Canadese literatuur zegt, zegt Margaret Atwood en Alice Munro en misschien ook wel Michael Ondaatje. Minder snel valt de naam Margaret Laurence. Nochtans behoort Laurence (1926-1987) tot de Canadese canon. Ze heeft met haar romans een belangrijke bijdrage geleverd aan de Canadese literaire renaissance in de jaren ‘60 en ‘70 en zeker De stenen engel (1964) wordt gezien als een klassieker. Bij ons bleef Laurence altijd wat op de achtergrond. Maar daar wil uitgeverij Cossee nu verandering in brengen met een heruitgave van De stenen engel. En het mag gezegd worden: het verhaal over de 90-jarige Hagar Shipley verdient een breed lezerspubliek.
De stenen engel draait rond de hoogbejaarde Hagar Shipley. Haar zoon Marvin en haar schoondochter Doris, intussen zelf zestigers, willen Hagar in de richting van een verzorgingstehuis manoeuvreren, maar dat is helemaal niet naar de zin van de balsturige Hagar. Terwijl zij zich met hand en tand verzet tegen die gedwongen verhuis, kijkt Hagar in de achteruitkijkspiegel van haar leven.
Dat leven, dat zich grotendeels afspeelt in het fictieve plaatsje Manawaka (gemodeleerd naar Neepawa, de geboorteplaats van Laurence in het Canadese Manitoba), oogt vreugdeloos en is getekend door het verlies van naasten. Dat verlies begint al bij de geboorte van Hagar omdat haar moeder sterft in het kraambed. Ze groeit als enige dochter op in een gezin met drie kinderen. Ze erft de stijfkoppigheid van haar vader, de eerste kruidenier van Manawaka. Het is ook die eigenzinnigheid, die koppigheid die leidt tot een breuk met haar vader. Terwijl hij haar zag haar als een ‘sieraad’ voor zijn goede naam en pad vol deugdzaamheid en fatsoen voor haar had uitgestippeld, kiest Hagar een heel ander pad. Zo kiest ze voor een relatie en een huwelijk met Bram Shipley, een ruwe en onbeschaafde man met al twee dochters uit een eerdere relatie. Ze krijgen samen twee zonen, Marvin en John, maar de relatie tussen Hagar en Bram eindigt in strijd en ellende en daarbovenop krijgt Hagar ook het verlies van haar oogappel John te verwerken. Daarover zegt ze zelf: ‘De nacht dat mijn zoon stierf, veranderde ik in een steen.’
Tegen de achtergrond van dat harde levensverhaal beraamt Hagar een daad van verzet. Om de verhuis naar een verzorgingstehuis te vermijden onderneemt een wanhopige vluchtpoging.
Die vlucht versterkt het beeld van Hagar als een tragische antiheldin. In de krant De Standaard werd De stenen engel vergeleken met Stoner, de klassieker van John Williams. Ook daarin wordt een literair monument opgericht voor een ‘klein, onopvallend leven’. Maar terwijl er in de figuur van Stoner veel volgzaamheid zit, wordt het karakter van Hagar getekend door verzet en boosheid. Hagar komt eigenlijk nooit in het reine met het verlies van enkele naasten en sleept die molensteen van schuld en verdriet heel de tijd mee. Voor die binnenwereld, voor de eigen verlangens en gevoelens is er maar weinig plaats in een samenleving die nog gedomineerd wordt door tradities, door uiterlijke schijn en fatsoen. Hagar komt zelf tot een bittere vaststelling:
Elk beetje vreugde dat ik had kunnen beleven aan mijn man, aan mijn beide kinderen of zelfs maar aan het ochtgloren of aan leven zelf – het is allemaal in de kiem gesmoord door het fenomeen fatsoen – fatsoenlijk in wiens ogen in godsnaam? Wanneer heb ik ooit mijn hart laten spreken?
Het maakt Hagar nukkig, het leidt tot fricties en tot provocerende of vijandige uitspraken. Op die uitspraken volgt dan wel vaak een – meestal onuitgesproken – gevoel van spijt of schaamte. Die gevoelens tonen voor de lezer dan weer de glinsteringen van de menselijke kant van Hagar. Precies daar schuilt een belangrijke kracht van de roman. De moeizame en vooral laattijdige manier waarop Hagar door enkele ontmoetingen, door kleine momenten van menselijkheid toch een soort van interne vrede vindt.
De stenen engel volgt een bekende en beproefde formule: oude verteller ziet de eindstreep van het leven met rasse schreden naderen en blikt terug op het verleden. Maar het verhaal van Hagar Shipley is toch behoorlijk uniek en moeilijk vergelijkbaar. Het heeft bijvoorbeeld niet de uitgesproken humor van De honderdjarige man die uit het raam klom en verdween van Jonas Jonasson en ook niet de melancholie van De kraanvogels vliegen naar het zuiden van Lisa Ridzén. En ook met de troebele, meanderende gedachtestroom van Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers is het moeilijk te vergelijken. Hagar Shipley verdient sowieso een eigen plek omdat ze ook een heeft heel eigen stem heeft, een stem die gerust door meer Nederlandstalige lezers mag gehoord en gelezen worden.
Maarten De Rijk
Margaret Laurence – De stenen engel. Vertaald uit het Engels door Edith Van Dijk. Cossee, Amsterdam. 320 blz. € 26,99.
