Recensie: Wiel Kusters – Bijsluiters
Altijd met respect voor het gedicht
Wiel Kusters heeft, voor de liefhebber, een prachtig boekje gemaakt dat in september in een oplage van 250 exemplaren is verschenen. Hij haalt er herinneringen op aan zijn vriendschappen en ontmoetingen met dichters, die in de loop der jaren voor hem belangrijk zijn geweest.
Belangrijk in de ontwikkeling die hij zelf als dichter heeft doorgemaakt. Maar ook belangrijk in zijn werk als criticus en hoogleraar letterkunde.
In Bijsluiters kom je dichters tegen als Hans Faverey, Willem Barnard, Jan Hanlo, Pierre Kemp, Rutger Kopland, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, K. Schippers en Menno Wigman. Direct in het begin komt na Kouwenaar ook Bertus Aafjes langs. Twee literaire ‘vijanden’, volgens de literatuurgeschiedenis.
Het toeval wil dat de jonge Wiel Kusters in Bertus Aafjes bij wijze van spreken een buurman had. Aafjes woonde 14 kilometer verderop van de Kustertjes, in Kasteel Hoensbroek, eigendom van de Staatsmijnen. In ruil voor dat onderkomen schreef Aafjes in het bedrijfsblad Steenkool. Kusters publiceerde zijn eerste poëzie in dat blad, dat zijn vader (mijnbouwer) elke maand thuisbracht.
Kusters, kortom, leerde Aafjes kennen via Steenkool, en daarna van ‘de Voetreis’ en andere poëzie. Hij was onbekend met de Aafjes van de frontale aanval (‘de SS is de poëzie binnen gemarcheerd’) op de Vijftigers in weekblad Elsevier. Hij kende ook de Vijftigers niet, als 15-jarige jongen.
Kusters stond feitelijk aan het begin van zijn leescarrière. En was nog niet de Wiel Kusters die in 1986 promoveerde op het werk van Kouwenaar en veel later ook diens biografie schreef. In Bijsluiters laat hij een glimp van zijn diepgaande kennis zien, als hij tamelijk traditioneel aandoend werk citeert van de beginnende Kouwenaar. Werk, dat qua titel en sfeer nogal aanleunt tegen de poëzie van… Bertus Aafjes. Het gedicht als ding, dat Kouwenaar later als begrip muntte, was bij lange na nog niet in zicht.
Daarna haalt Kusters aan dat Aafjes, die na zijn ‘SS-bewering’ geen poëzie meer publiceerde, jaren later Kouwenaar vroeg om de strijdbijl te begraven. En Kouwenaar charmant, maar met de branie van de winnaar antwoordt: ‘Hadden we dat niet al lang geleden gedaan, dan?’
Zoals altijd is Kusters op zijn best als hij dicht bij de poëzie blijft van de dichters over wie hij schrijft. En aan de hand van een paar regels of strofes vertelt wat hij in het gedicht leest, en zo zijn interpretatie stapje voor stapje opbouwt. Dat deed hij al toen hij in 1986 promoveerde op de poëzie en poëtica van Kouwenaar. (Zijn proefschrift, De Killer, is nog altijd de perfecte ‘handleiding’ voor wie Kouwenaar wil leren lezen, als je dat zo kunt zeggen.) Hij deed dat toen hij poëzie recenseerde in NRC Handelsblad.
Hij doet het ook in Bijsluiter. Eigenlijk lees je over de schouder mee met de 15-jarige jongen, die gretig en gulzig gedicht na gedicht verovert en uiteindelijk een kenner – en dichter – werd. Altijd met respect voor het gedicht – en de dichter.
Matthé ten Wolde
Wiel Kusters – Bijsluiters, herinneringen in dicht en ondicht. Artistiek Bureau, Groningen. 176 blz. € 30,-. Het boek is hier te bestellen.