Schrijversbiotopen: Knut Hamsun in Lom en Hamarøy
Knut Hamsun in Lom en Hamarøy
In het oeuvre van de Noorse schrijver Knut Hamsun neemt de natuur een prominente plaats in. Dat heeft zeker te maken met zijn geboortegrond in Lom, een landelijk bosrijk gebied tussen Gudbrandsdalen en Jotunheimen, waar Knut Pedersen, zoals zijn werkelijke naam luidt, als vierde kind in een gezin van zeven kinderen, op 4 augustus 1859 werd geboren als zoon van moeder Thorøe Olsdatter Garmotrædet en kleermaker Peer Pedersen.
Het eerste deel van Knut Hamsun mijn vader, de biografie die zoon Tore Hamsun over zijn vader schreef, begint als een streekroman, vertaald in gedateerd Vlaams. Na enkele bladzijden wordt Knut geboren: ‘Knut zag het levenslicht in een armzalig huis. Wat zijn kinderogen echter van zijn omgeving opnamen, was helemaal niet armoedig of benepen. Beneden hem strekte zich het karspel wijd uit, een van de mooiste valleien van Noorwegen. En boven hem verhieven de bergen zich met hun stenen hellingen en de eindeloze verten van Jotunheimen.’
In Lom deed hij zijn eerste indrukken op. Twee maanden voor zijn vierde verjaardag trekt hij met zijn ouders en de andere vier kinderen naar Nordland waar zij zich vestigen in Hamarøy. De reis wordt afgelegd in roeiboten en met een stoomboot. Over de kleine Knut gaat het verhaal dat hij op de brug van het schip stond, onder de enige paraplu die aan boord was, alle indrukken in zich opzuigend.
Zijn oudere broers hadden hem al leren lezen en schrijven. Het eerste woord, dat hij op een beslagen raam schreef, was zijn naam. Hij zat dan naar de letters op het raam te staren en hield andere kinderen uit de buurt, uit angst dat ze zijn woorden zouden uitvegen. In Hamarøy vestigt het gezin zich op een boerderij die zij Hamsund noemen. Ingar Sletten Kolloen schrijft in de biografie Knut Hamsun Dreamer and dissenter: ‘In November 1882, in a schoolhouse outside Elroy, Knut Hamsund, having newly taken the name of his parents’ farm, gave his first lecture.’ Dat de schrijver deze naam als pseudoniem koos, zegt veel over de selfmade boerenjongen die hij was. Die eerste lezing ging overigens over zijn grote voorbeeld Bjørnstjerne Bjørnson, aan wie hij jaren later voor diens zeventigste verjaardag een gedicht zou opdragen.
Als Hamsun in 1886 van zijn tweede reis naar Amerika teleurgesteld terugkeert in Kristiania (Oslo) is hij te arm en te lusteloos om van boord te gaan. Down and out op het Deense schip Thingvalla, dat de volgende dag zal doorvaren naar Kopenhagen. Hij doolt door de straten van Oslo en lijdt honger. Of, zoals de eerste zin van de roman Honger in de vertaling van Cora Polet luidt: ‘In die tijd zwierf ik met een hongerige maag door Kristiania, die vreemde stad, die niemand verlaat zonder erdoor getekend te zijn.’
Korte tijd later stapt Hamsun in Kopenhagen aan wal. Op een zolderkamer in de Sankt Hans Gade op nummer 18, in de herfst van 1888, werkt hij de eerste aanzetten uit die hij aan boord heeft geschreven: hij schrijft de eerste fragmenten van Honger. Het eerste deel wordt in november in Ny Jord gepubliceerd, ondertekend met ‘onbekend auteur’. Tijdens een feestje van een literair echtpaar leest een bevriend schrijver het fragment uit de krant voor dat, hoe toepasselijk, speelt in Oslo. Na het lezen van de laatste zin, wordt het stil. Niemand twijfelt eraan dat deze onbekende auteur een groot schrijver is.
De Sortedam Dossering in Kopenhagen doet denken aan de Weesperzijde in Amsterdam ter hoogte van de Berlagebrug. Zelfs de huizenblokken aan de overkant roepen herinneringen op aan de buurt van De Schilderskade (Jozef Israëlskade), waar Gerard Kornelis van het Reve De Avonden schreef. We lopen in een vreemde stad in een vertrouwd decor. Bij de Sankt Hans Gade slaan we linksaf. Het is alsof we de straten al jaren kennen. Vreemd dat hier Deens wordt gesproken. Op nummer 18 is een plaquette in de gevel aangebracht, waarop staat vermeld: ‘Her boede i efteråret 1888 den norske forfatter Knut Hamsun mens han skrev på romanen “Sult” ’. Hier, in 1888, schreef Knut Hamsun het eerste fragment van de roman Sult. In Honger heeft Hamsun veel van zijn eigen ervaringen verwerkt. Zijn zwerftochten door de straten, het geleur met verhalen en artikelen bij krantenredacties, de op een lege maag geschreven hallucinerende gemoedsgesteldheden op de koude zolderkamer… Onze blik glijdt langs de gevel omhoog naar het dak. Waren die dakkapellen er toen ook al? Ik probeer me te verplaatsen in de herfst van 1888. Maar het is te zomers, te warm om me in de wereld van zijn ontberingen te kunnen inleven. Pas tegen de avond, voel ik iets van kou als er een frisse wind over het terras aan het water waait. Daar zijn de Denen op voorbereid; over elke stoelleuning hangt een deken die je over je heen kunt slaan, wat wij dankbaar doen.
De volgende dag zijn we in Oslo. Na een lange autorit ontneemt elke nieuwe stad je de lust en de energie om je er met een open objectieve blik in te verplaatsen. Om een stad te veroveren moet je uitgerust zijn. Na in het hotel te hebben ingecheckt en de auto ergens in een garage te hebben geparkeerd, slepen we ons naar buiten, de straat op. Vermoeidheid beïnvloedt de geest, de manier van denken en kijken.
De Johans Gate is het toonbeeld van plat toerisme. De zijstraten, in de schaduw van hoge gebouwen, zijn somber. Een borrel drinken is het beste wat je in zo’n stemming kunt doen. De Noren denken er precies zo over. Ondanks de hoge prijs van een glas bier wordt er in het café stevig ingenomen. De glazen pui naar het terras is opengeschoven. De harde stemmen van de stamgasten op het winderige terras, weerkaatsen tegen de muur van het hoge gebouw er pal tegenover. Ruig volkje, die Noren. We zijn er nog maar een paar uur en voelen ons al nader tot Hamsun. Helemaal als ’s avonds op een paar meter van onze eettafel in een restaurant aan de Johans Gate een zwerver zich buigt over een prullenbak. Hij is geen gewone zwerver. Zwervers zijn hier anders. Dat hebben we in Kopenhagen al gezien. Ook daar rijden zwervers op fietsen langs prullenbakken om er lege plastic flesjes uit op te diepen en deze vermoedelijk ergens voor statiegeld of tegen een recyclingvergoeding in te leveren. Niet omdat ze honger hebben, maar om geld te verdienen.
Als we enkele weken later vanuit Jotunheimen op weg naar Gudbrandsdalen rijden, stuiten we iets voorbij Lom bij toeval op een hut langs de weg. Tegen de wand, net onder het dak dat met gras is begroeid, is een bordje gespijkerd met de tekst Hamsun Stugu. Hamsun mag gezien worden, en gelezen. Noorwegen is, ondanks de Pro-Duitse houding van de schrijver tijdens de Tweede Wereldoorlog, trots op hun schrijver en Nobelprijswinnaar van 1920.
Voor de ingang van de hut oefent een jongen wat akkoorden op zijn rode Fender-gitaar. Naast de ingang van de hut is een tekstfragment in plastic op een steen geplakt. Uit de roman Pan, wordt eronder vermeld: ‘Daar stond een steen buiten voor mijn hut, een hoge grijze steen.’ De hoofdpersoon leeft teruggetrokken in de natuur. De dingen beginnen menselijke trekjes te krijgen. Zo ook de steen: ‘Het leek alsof de steen mij zag als ik langs liep en mij herkende.’ Deze vorm van personificatie treedt vaker op in het werk van Hamsun. Ook in een strofe van het gedicht voor de 70-jarige Bjørnson. Als de ‘ik’ per boot naar Skjærgaardsøen vaart, een eiland in zee, zegt hij:
Hier leven bloemen
puur voor het oog,
ze staan er zo vreemd
en zien mij landen.
De gitaarjongen gaat ons voor. Hij stapt door de lage deur naar binnen. Ik herken het schilderij van een jonge Knut, opgenomen in Knut Hamsun van Amy van Marken, gemaakt toen hij zich op 14-jarige leeftijd in de kerk van Lom liet bevestigen, of ‘aannemen’. Toen de priester hem naar zijn verhuisverklaring uit Nordland vroeg, antwoordde Knut met parmantige stelligheid: ‘Die hoef ik niet, want ik ben hier gedoopt en geboren.’ Op zijn 72ste jaar schrijft hij in een brief aan een vriend (Hallvard Offsigsbø): ‘Ik herinner me toen ik naar de geloofsbevestiging bij Halling in Lom ging, dat daar een meisje van Offsigsbø was. Gunhild, zij was zo ongewoon knap; zij antwoordde zoals niemand van ons ouderen het kon. Ik herinner me haar goed, maar zij herinnert zich mij niet.’
Een ander meisje dat indruk op hem maakte en op wie hij smoorverliefd was, is Laura, in Hamarøy. Deze onbeantwoorde liefde keert in sommige van zijn boeken (o.a. Mysteriën, Pan, Victoria) terug als overheersend thema. Ondanks de hoge kringen waarin Hamsun zich in zijn latere leven voortdurend ophield, zou hij nooit ‘omhoog trouwen’. In de brochure Knut Hamsun og fødebygden Lom (Knut Hamsun en het geboortedorp Lom), die in de hut te koop is, schrijft Christianne Undset Svarstad dat enkele literaire onderzoekers het thema van de afgewezen geliefde toeschrijven aan Hamsuns armoedige jeugd en de vernederingen die zouden hebben geleid tot een minderwaardigheidscomplex. Maar zij stelt terecht dat Hamsun daar veel te intelligent en zelfverzekerd voor was. ‘Met die kracht en dat onverzettelijk zelfvertrouwen van generaties van trotse Gudbrandsdalse boeren, grootgrondbezitters en ambtenaren die hem hadden gevormd, streed hij juist eenzaam en gedreven voor één doel: het vervullen van zijn schrijverschap.’
Er staan verschillende beschilderde kisten in het krappe vertrek. Een eetkist met de naam Ingeborg Larsdatter uit 1825 is van Hamsuns grootvader van vaderskant. De reiskist uit 1862, door Per Sultbakken speciaal gemaakt voor de reis in 1863 naar Nordland. Naast een klein ledikant is een naaimachine neergezet. In de hoek staat een uit een boomstronk gehakte stoel. Er hangen schaatsen aan de muur die verdacht veel lijken op Friese doorlopers.
De kisten zijn echt. Maar, zoals altijd bij bezoeken aan schrijvershuizen, vraag ik mij af of de spullen wel van de schrijver zijn. Het ledikant, de naaimachine, de stoel, meetlat, scharen, strijkijzer, kinderbedje, wieg en andere parafernalia zijn ongetwijfeld authentiek, maar zijn ze ‘van Hamsun’ of behoorden ze zijn familie toe? Dat geldt trouwens voor de hele hut. Is Hamsun werkelijk hier geboren? Ik vraag het aan de jongen. Ach, hij is ook maar een student met een bijbaantje. Hij wijst naar een vage verte, een plek ergens aan de rivier Vågå en vervolgens naar het boekje dat ik in mijn handen heb. O, juist, ik begrijp het: het wordt allemaal in het boekje van Svarstad uitgelegd. Op pagina 16 bijvoorbeeld staat dat delen van het geboortehuis al eerder werden gebruikt en dat de balken twee- driehonderd jaar oud zijn. De deur van het huis bleef bewaard, zo blijkt uit het onderschrift van een foto van de deur, zij het na ‘grundig restaurering’.
We lopen met het opengevouwen boekje naar buiten om de foto te toetsen aan de werkelijkheid. Dezelfde deur! Op pagina 20 lezen we dat de hut in 1952 (het sterfjaar van Hamsun) zo vervallen was dat deze is ingestort. Maar, de wanden werden zorgvuldig opgeslagen, gemerkt en weer gebruikt voor de herbouw.
Na thuiskomst in Nederland bestel ik de biografie Knut Hamsun, mijn vader van Tore Hamsun. Al op pagina 15 stuit ik op een foto met onderschrift: ‘Hamsuns geboortehuis te Lom’. Juist, dat ziet er heel anders uit. Geen hut, maar een houten boerenhuis. Eronder een foto van de veertienjarige Knut met hoge blonde kuif. Precies zoals hij op het schilderij in de hut is afgebeeld.
Knut Hamsun sterft op 19 februari 1952. Na het bezoek van de dokter wil zijn vrouw zijn hoofd oplichten om het kussen op te schudden. ‘Laat maar, Marie, nu ga ik sterven,’ prevelt hij zijn laatste woorden. Na twee dagen in diepe slaap te hebben gelegen, sterft hij ’s nachts om 1.00 uur, als zijn hart stilstaat.
‘Ongemerkt,’ schrijf Marie Hamsun, ‘zonder een zucht ging hij over de grens.’
Nico Keuning
(foto’s: Nico Keuning en Anton Kras)
Lees ook deze reportage van Erik Nieuwenhuis uit 2011.



Boeiend artikel over de plekken die voor Knut Hamsun belangrijk waren. Echter met een terloopse verschrijving. Hamsun is niet de Nobelprijswinnaar van 1890, maar die van 1920. In 1890 leefde Alfred Nobel nog.
Welke schrijver heeft een eigen museum, en dan ook nog een architectonisch hoogstandje! In Hamaroy vlak bij de Lofoten trouwens.