De ‘verbrede’ subsidieregels van het Letterenfonds zijn een uiting van de culturele almachtsfantasieën van een organisatie die de literatuur smoort in afhankelijkheid en overproductie.

Onlangs meldde het Letterenfonds dat de subsidieregelingen voor auteurs, vertalers en andere ‘makers’ in de boekenbranche per 2026 worden ‘verbreed’. Zulks ‘met het oog op een duurzame toekomst’ van een ‘divers literair veld’. De ‘verbreding’ komt erop neer dat gevestigde auteurs moeten inleveren ten faveure van debutanten en meer diversiteit. In de NRC reageerde schrijver Christiaan Weijts weinig enthousiast. Hij betoogde dat het Letterenfonds ‘het grotere geheel uit het oog dreigt te verliezen, door te nivelleren in een sector die toch al krimpt’ en dat schrijvers ‘gestaag verdwijnen, omdat hun werk wordt beoordeeld als seizoenswaar’.

Gezien de talloos veel miljoenen in Nederland die zichzelf tegenwoordig in de media afficheren als ‘schrijver’ (of nog verontrustender: ‘schrijver en filosoof’), lijkt het met dat verdwijnen van auteurs wel mee te vallen. Met dat nivelleren ligt het anders. Wie in een boekwinkel rondkijkt, ziet dat er nau­welijks nog romans verschijnen zonder de vermelding dat er steun van het Letterenfonds bij betrokken is. Zo talrijk zijn die subsidiemeldingen dat onwillekeurig de vraag rijst of die subsidie niet heilzamer is voor de culturele gemoedsrust dan voor de literatuur. Het antwoord daarop moet ik schuldig blijven (hoewel het probleem blijft knagen of Grunberg niet zijn beste werk schreef toen hij pizzakoerier was, en Giphart toen hij nachtwaker was, en ’t Hart en Hermans toen ze bij de universiteit werkten – en heeft Hella Haasse niet veel meer literaire prijzen ontvangen dan ooit subsidie, en hadden Nescio, Bordewijk en Elsschot niet overdag een baan terwijl ze een alleszins duurzaam oeuvre schreven?).

Veel prangender is evenwel het vraagstuk of het beleid van het Letterenfonds niet contraproductief is. Zo lijkt het geenszins onwaarschijnlijk dat het Letterenfonds met de ruim 6 miljoen euro die het verdeelt onder schrijvers (3,8 miljoen) en vertalers (2,1 miljoen), alsook binnenkort onder graphic novel-auteurs en illustratoren van kinderboeken, in enige mate bijdraagt aan een van de grote problemen van de huidige boekenbranche: overproductie. In een cultureel veld dat zucht onder ontlezing, dalende verkopen van Nederlandse fictie en een krimpende markt, zou het Letterenfonds zich dienen af te vragen of zijzelf met het zo breed mogelijk subsidiëren niet onderdeel van deze problematiek is.

Ik doel op de gestage stroom van gesubsidieerde boeken waarbij al bij openslaan blijkt dat ze niet volwassen zijn geworden door het overwinnen van de weerstand van sceptische literaire bladen, cynische uitgevers, strenge redacteuren die zonder aarzelen de kettingzaag hanteren en zorgvuldige vormgevers die weten hoe ze een boek moeten maken. Dit is geen nieuw probleem. Al in 2002 uitte Lisa Kuitert in haar inaugurele rede als hoogleraar Boekwetenschap kritiek op de ‘onverkoopbare en onleesbare subsidieliteratuur’. Destijds kreeg zij uit het literaire veld nogal wat hoon over zich heen en de kranten repten van ‘Borrelpraat van een geleerde literatuurhater’. Het dient gezegd dat de academische boekwetenschap en redactiekunde niet volledig in staat bleken de kwalificatie ‘borrelpraat’ te doen vergeten, maar dat wil geenszins zeggen dat het probleem minder werd.

Wie het huidige literaire aanbod in Nederland overziet, kan dikwijls een gevoel van teleurstelling nauwelijks onderdrukken. Alom het ‘imprimatur-vignet van het Letterenfonds, maar al te vaak een ogenschijnlijk amper geredigeerde tekst waarin soms in de verte iets van een literair idee schemert, afgedrukt op goedkoop 80 grams houthoudend papier in een amateuristische typografie vol hoerenjongen, weduwen en wezen, hangers, spatiëringsproblemen en ander ongerief voor de lezer. Dan is het gesubsidieerde boek weliswaar voorzien van de noemer ‘roman’ en verluchtigd met de aanbevelingen van de huidige generatie critici die schijnbaar alleen kan recenseren in blurb-clichés zoals ‘onweerstaanbaar’, ‘meeslepend; , ‘urgent’ en ‘adembenemend’, maar de deceptie is er niet minder om. Kortom: hier is meer subsidie in het spel dan aandacht voor en kennis van het literaire boek.

Zeker, er zijn eminente uitgevers, uitstekende redacteuren en prima vormgevers in Nederland, en aan vertalers kan niet genoeg subsidie worden gegeven, maar waarom doen veel moderne Nederlandse romans dan pijn aan de ogen en komen ze in intellectueel opzicht vaak nauwelijks voorbij het solipsistische wereldbeeld van de hoger opgeleide klasse, zo treurigstemmend samengevat in het woord ‘ik’.

Het is ook helemaal niet waar wat het Letterenfonds beweert ter rationalisering van de nieuwe subsidieregels dat tot nu toe ‘nieuwe namen er moeilijk tussen kwamen’. Meer dan 50 literaire debuten per jaar wijst daar bepaald niet op. Dat zijn vijfhonderd debuten in het afgelopen decennium, en als daar iemand moeilijk tussenkomt is het wel de lezer. Overproductie smoort zo wat er nog over is van het literaire leven in een land waarin de gemiddelde verkoop van een boek 123 exemplaren bedraagt.

In dit licht is het nogal bizar (en een teken van almachtfantasie) dat het Letterenfonds voortaan zelf debuten wil gaan beoordelen en subsidiëren. In feite gaat men hier schaduwuitgever en schaduwredacteur spelen. Het is evenzeer nogal bizar (en een teken van almachtsfantasie) dat een vertaler voortaan alleen subsidie kan krijgen als zijn of haar naam op het omslag van het boek komt, In feite schuift men hiermee de niet-gesubsidieerde uitgever en de niet-gesubsidieerde vormgever terzijde. (Deze regel is ‘om de zichtbaarheid van vertalers te vergroten’, meldt het Fonds, hoewel het tezelfdertijd de eigen drie vertaalprijzen afschaft.) Ten slotte is het nogal bizar (en een teken van almachtsfantasie) dat het Letterenfonds alle literaire tijdschriften (hoe dan ook de kraamkamer van de literatuur) zonder enige beoordeling dezelfde subsidie geeft, op voorwaarde dat de medewerkers een door het Fonds vastgesteld honorarium krijgen. Het gevolg is dat digitale magazines die af en toe on line verschijnen nu zwemmen in het geld, terwijl tijdschriften die elke maand op papier verschijnen meer aan verplichte honoraria kwijt zijn dan ze aan subsidie ontvangen.

Literaire subsidies voor auteurs zijn in alle opzichten anders dan broodnodige financiële steun voor de culturele infrastructuur van balletgezelschappen, toneelproducties, orkesten en concertzalen. Een schrijver heeft een pen nodig, en lezers. In dit licht bezien is waarschijnlijk de grootste bedreiging van het literaire leven het dalende onderwijsniveau. Behalve de ontlezing bij jongeren in het algemeen, is zowel bij jonge schrijvers als bij recensenten die typische kwaal van modern onderwijs waarneembaar: de cocktail van geringe belezenheid, een beperk vocabulaire en een overmaat aan zelfoverschatting. Wat dat betreft, zou het subsidiëren van literatuuronderwijs met verplichte boekenlijsten waarschijnlijk meer bijdragen aan een levend literair klimaat, dat niet wordt gesmoord in de almachtsfantasieën van het Letterenfonds.

Bastiaan Bommeljé

Bastiaan Bommeljé is uitgever, boekhandelaar en historicus; hij was 25 jaar redacteur van Hollands Maandblad.