Recensie: Aleksandr Skorobogatov – Achter de donkere wouden
Een oerkreet
Er zijn romans waar je al jaren reikhalzend naar uitkijkt, maar die je ook, vanwege de intensiteit een weinig vreest. Met Portret van een onbekend meisje wist de Vlaams- Wit-Russische schrijver Aleksandr Skorobogatov, met inmiddels een wereldwijd enthousiast publiek, het onderwerp al even aan te stippen, onderhuids te laten resoneren. Door over de kracht van een jeugdliefde te schrijven ‘danste’ hij om de gruwelpijn heen van de marteldood van zijn vijftienjarige zoon. Een miraculeuze vertelling, die dwars door de ziel snijdt.
Twintig jaar na dato is Skorobogatov er uiteindelijk in geslaagd om daadwerkelijk en expliciet – paradoxaal toch ook ingetogen – over de laatste nacht van zijn zoon te schrijven. Achter de donkere wouden is een monument dat precies laat voelen wat zoiets met een mens doet, zonder pathetiek, zonder uitweiding. Desgevraagd heeft Skorobogatov voor het eerst veel geschrapt. Geen pil van vijfhonderd pagina’s, dat is in dit geval ook niet noodzakelijk, ongepast eigenlijk. Elke pagina telt hier.
De tijd heelt alle wonden. Quatsch! Dit is beslist geen therapeutisch boek. Onnozele mensen kunnen denken dat het schrijven voor ‘enige verlichting’ zorgt, voor ‘verwerking’. Maar het concipiëren van een dergelijk diepgravend werk is een diabolische martelgang, een herbeleving in full screen. Een wanhopige meesterschrijver die zichzelf tot op het bot kerft, die allereerst een vader is van een letterlijk bont en blauw geslagen kind, een man, die zich geen man meer voelt omdat hij geen bescherming heeft geboden. Spijt is de ware hel op aarde.
Het is een maxima culpa, een schuldbekentenis van de buitencategorie, een verslag van een maar net binnen de perken te houden woede, ingekapseld met woorden, boek na boek, maar ook een aanklacht tegen een verkrampte maatschappij, een wereld op drift én bovenal een van liefde overlopend portret van een kind, van een zoon. In die zin is het ook een oproep tot bezinning.
Toen het kind vijf jaar was zijn de ouders gescheiden, is de vader vertrokken, naar het buitenland ook nog eens. Met een leugentje nam hij afscheid. Hij zou snel terug zijn om samen naar de dierentuin te gaan. Het werd een tocht naar de laatste rustplaats. De ‘misdaad’ van de afwezigheid. De vader die er niet was voor zijn zoon. Op alle belangrijke momenten in de tien jaar daarvoor. Bij ziekte, bij succes op school. De stiefvader en moeder komen eer toe. De schrijver naar zijn idee alleen schande. Een deels gebroken man die aan zijn zoon om vergeving vraagt, zonder de reden voor het vertrek te moeten, te mogen vertellen.
De vader die, hoe tekenend, te laat was voor de geboorte in het kustplaatsje in Georgië waar de hoogzwangere heen was gegaan, om bij haar ouders te zijn. Een vliegtuig dat moest uitwijken. Skorobogatov graaft diep, laat laag voor laag de gedachten, de pijnen, de gevoelens zien, bijna ondraaglijk voelen.
Een van de meeste pijnlijke zaken is dat juist in het zelfde jaar als dat de ontvoering en de moord plaatsvond het contact tussen vader en zoon zich intensiveerde, er het plan was dat de zoon zich bij hem zou voegen. Skorobogatov opent deze elegie met een beschrijving van de zachtaardige en van een groot invoelingsvermogen getuigende brieven van zijn zoon.
De gesteldheid die juist heeft bijgedragen tot zijn dood. Het onschuldige karakter dat de zoon niet heeft doen wegrennen toen er een in wodka gedrenkte auto stopte, op zoek naar willekeurige slachtoffers. Het gaf de zes vrienden die erbij waren de kans om in de bossen te vluchten. De zoon als redder, de opoffering die het geheel nog een partikel zin geeft.
De waanzin van de maatschappij wordt duidelijk wanneer twee jonge vrouwen de zoon in een greppel zien liggen, er niet naar toegaan – ze zouden anders de bus missen – maar een ambulance bellen. Door hun beschrijving denkt men aan de zoveelste dronkaard, ze komen dus niet. ‘Wie zal dan de goed mensen helpen?!’ Een boer neemt hem tenslotte mee op zijn tractor en brengt hem al hobbelend naar het ziekenhuis, waar de jongen zijn laatste adem uitblaast.
Was hij nog te redden geweest als de vrouwen hadden aangedrongen? Een gedachte die tot waanzin moet drijven. In wat voor wereld leven we als zelfs jonge vrouwen zich niet meer bekommeren om een kind? Een totaal nieuwe tweede pijn. De onderzoeksrechter stelt de vader en de stiefvader keer op keer gerust met een bijna poëtische zinsnede. ‘De verwondingen waren niet verenigbaar met het leven.’ Zie maar eens van die ‘wat als’ af te komen.
De vader hoopt dat het leven van de zes ‘overlevenden’ een eresaluut mag zijn, een geweldig bestaan vol liefde en geluk. Maar tegelijkertijd begrijpt de schrijver in hem dat het onrealistisch is, onfair ook om dat te eisen. Hij hoopt – en daarin schuilt de wijsheid, de kracht, de liefde – dat de herinnering aan de nacht geen zeurende ziekte wordt, hen niet zal breken.
En na dit alles komen er natuurlijk ook gedachten op aan de daders. Wat heeft hen bezield? Waren het soms de getraumatiseerde militairen van de basis vlakbij, die als zieke honden uit Tsjetsjenië terugkwamen en voor rotzooi in de buurt zorgden. Was de zoon een extra ‘oorlogsslachtoffer’, een stuk ‘bijkomende schade? In dat geval ‘zou het verdoezeld worden, er geen genoegdoening komen. Wat je daar met het levenslang van de nabestaanden ook aan hebt.
Ja, er waren momenten van een zeker geluk in de jaren die volgden. Al waren dat eerder vlaagjes van vergetelheid die telkens weer teniet werden gedaan door dat ene zinnetje, ‘mijn zoon ligt te rotten in de grond’. Een kwestie van naast de wereld bestaan. En dan, na twee weken al, worden de moordenaars gevonden. Drie mannen, die elkaar de schuld in de schoenen schuiven. Gewone doorsnee mensen, geen beesten. Monsters ja, maar alleen voor die nacht. Het onverdraaglijke voor de mensheid. De grootste misdadigers behoren ook tot onze soort.
Zoals de vader de geboorte te laat was, bij de begrafenis alleen met een uiterste kunstgreep net op tijd aanwezig kon zijn, was het door de bureaucratie onmogelijk om bij het begin van de rechtszaak te zijn. ‘Het overlijden van een naaste is geen reden voor een visum.’ Dan maar als toerist. De onvermijdelijke confrontatie met de daders. Haat? Nee, totaal geen gevoel bij die drie. De vader die even het gevoel heeft dat de zaak over hem gaat, hij in die kooi van de aangeklaagden moet zitten.
Er worden straffen van rond de twintig jaar uitgesproken. Maar de ware schuldige blijft onbestraft. Dat was een priester die had opgeroepen om satanisten, die op het kerkhof hoofdstenen hadden beklad, te vinden en te pijnigen. Een man met veel invloed, die niet werd genoemd in het proces, omdat een veroordeling daardoor op losse schroeven zou kunnen komen te staan. De kerk die de handen in onschuld waste. Een priester die de moordenaars zegende voorafgaand aan hun daad.
Kwaadaardige mensen voelen weerloosheid aan. Dat maakte de zoon van Aleksandr Skorobogatov en nog ettelijke jonge jongens tot hun slachtoffers. Net zo goed als dat er nu een nieuw rijk van het kwaad gecreëerd is in Rusland, waarbij het de daders voor de wind gaat.
Skorobogatov ‘compenseert’ het zwaartepunt van het geheel met een vederlichte beschrijving van de eerste tijd samen met zijn zoon. Stukken tekst die overlopen van vaderliefde. Breekbaar als het nieuwe leven zelf.
Achter de donkere wouden is uiterst subtiel opgebouwd. Skorobogatov weet angsten uit zijn eigen jeugd aan de pijn en angsten van de moord, van het leven daarna te verbinden. Het is een waar kunststuk dat hij, in het aangezicht van het kwaad, sentimentaliteit weet te vermijden met behulp van taal, van zijn poëtica, zijn tederheid.
Het verhaal is niet geromantiseerd, er is geen ‘heldenepos’ van gemaakt. Was de vader maar de ridder, de drakendoder geweest. Tegelijkertijd is dit een roman die geen enkel weldenkend, invoelend mens koud kan laten. Een boek als een oerkreet, dat je met afschuw en met een ongelooflijke trots vult.
Guus Bauer
Aleksandr Skorobogatov – Achter de donkere wouden. De Geus, Amsterdam. 190 blz. € 19,99.
