Recensie: Nel Noordzij – Het kan me niet schelen
‘Moet dat nu echt zo, juffrouw Noordzij?’
Toen Nel Noordzij in 1955 de roman met de uitdagende titel Het kan me niet schelen publiceerde, kreeg ze vrachten kritiek over zich heen. Niets deugde. Eén recensent struikelde over de ‘nare toestanden’ waarin haar mensen verzeild waren geraakt en concludeerde dat het boek voor veel lezers geen geschikte lectuur zou zijn. Een andere criticus ergerde zich aan de ‘ietwat malle kinderwoordjes’ die in het boek gebruikt werden. Dat de auteur spreektaal in het verhaal getrouw ‘nabootste’ zag hij als ‘coquet en overbodig.’ Nog weer een andere criticus vroeg zich af waarom Noordzij in haar boek het leven, dat volgens hem al beroerd genoeg was, zo ‘ongehoord rauw’ moest laten zien. Bijna iedereen ergerde zich aan de onomwondenheid van het boek. ‘Er is nu letterlijk niet één normale, gezonde frisse figuur in dit boek.’ Geestig bedoeld was een citaat van de Franse letterkundige Edmond Thiaudière: ‘Er worden nog slechts romans geschreven over neurotische vrouwen en weldra zullen alleen psychiaters ze nog lezen.’ Bij het koor van negatieve mannelijke recensenten voegde zich ook Renate Rubinstein. Zij stoorde zich aan de burgerlijke toon van het boek en vond de hoofdpersoon ‘bakvisachtig’. Desondanks choqueerde het boek haar toch. Het meest bont maakte Anton van der Vet het in het Algemeen Dagblad. ‘Moet dat nu echt zo, juffrouw Noordzij?’ stond boven zijn recensie. Hij schreef: ‘Moet het nou echt allemaal zo viezig, zo naar, zo ….eh….éng wezen?’ Hij was van mening dat als haar hoofdpersoon maar zou trouwen, haar problemen meteen waren opgelost. ‘Ik geloof dat zij dan nog een heel aardige vrouw zou worden,’ zo schreef hij. De recensenten hadden al heel wat moeten slikken van schrijvers als G.K. van het Reve of Willem Frederik Hermans, maar dat Nel Noordzij als eerste ‘de physieke openhartigheid beoefent vanuit het vrouwelijk gezichtspunt’ konden veel critici niet aan. De schrijfster gooide volgens hen taboes overboord en daarmee meteen ook alle goede manieren. Dat in het boek mensen gewoon openlijk naar de wc gingen werd daarvan wel als het allerergste voorbeeld beschouwd. Sommige heren critici waarschuwden dat het boek beslist niet in handen mocht vallen van jonge meisjes. Overigens waren er ook enkele positieve recensies. Pierre Dubois prees de roman en Hans Gomperts noemde Het kan me niet schelen het belangrijkste debuut van het seizoen.
Zelfs zeventig jaar later is van de opschudding die het boek veroorzaakte nog wel iets te begrijpen. Het gedrag van de hoofdpersoon, Renée, heeft zoals Noordzij dat beschrijft in eerste instantie iets afstotends. In een recensie werd Renée dan ook niet voor niets een ‘treiterig kreng’ genoemd. Noordzij geeft de gedachten van Renée ongefilterd weer. ‘Kan ik me weer ziek roken, dacht ze. Net zo lang tot ik een millimeterstreepje word op de statistiek voor vrouwen met kanker. Ik heb ze zelf gezien, niet op sterk water, oh nee, puur echt, onder mijn neus zodat ik dacht dat de stank me zou dichtlijnen: – longen als vuilnisbelten vol teerpluksels.’ Renée, arts in een Amsterdams ziekenhuis, is heel betrokken bij haar patiënten. Haar vrienden daarentegen kunnen op weinig consideratie rekenen. ‘Je bent om van te kotsen als je het zo probeert te verbergen,’ zegt ze bijvoorbeeld tegen haar collega Maud, ‘als je zo zielig staat te informeren en verliefd te wezen.’ Dit geldt ook voor haar houding tegenover Jenny, een Joodse psychologiestudente, die verliefd op haar wordt en dat ook niet verbergt. ‘Wat een toestand. Zit ik hier met dat stakkertje. Wat moet ik zeggen? Stil maar, je bent lief? Ik voel er niets voor. Krijg ik elke keer als ze hier komt zulke ordinaire scènes.’ Over mannen is Renée zeer uitgesproken. ‘Al die rotkerels kijken naar mijn benen, stel je voor dat ik naar hun kruis keek. In de trein doe ik het trouwens. Ik kan altijd zien of ze links- of rechtsdragend zijn. Ik snap niet dat ze niet met het zadel klem raken als ze fietsen. Zoiets zou je toch gewoon eens moeten vragen.’
Wat het boek fascinerend maakt is dat de auteur geen enkele moeite doet om haar figuren sympathiek voor te stellen. Zowel Renée als Jenny worstelen met het feit dat ze geen relatie met elkaar of met anderen aan kunnen gaan. Ze zijn elkaars tegenpolen, maar vormen ook een soort dubbelfiguur. Ze kunnen elkaar niet uitstaan maar ook niet loslaten. Renée gaat op het einde van het verhaal wel met een man naar bed, maar of dat wezenlijk iets voor haar zal veranderen is sterk de vraag. Deze man, die Lucas heet, heeft zijn vrouw geholpen bij het opwekken van een abortus, maar kan vanwege het feit dat hij katholiek is niet van haar scheiden. ‘Zo’n aardig vergissinkje, ze hoefde me bij nader inzien niet en mijn kind nog minder.’
De hoofdpersonen in het boek krijgen weinig achtergrond mee. Als Renée bij haar moeder op bezoek gaat wordt echter wel duidelijk hoe haar jeugd in Het Gooi is verlopen.
Drie jaar. Wat is ze lief, spreekt altijd met twee woorden. Renéetje, je pap. Ja mam. Renéetje, dat zijn geen geluiden voor een net meisje, dat doen ze in woonwagenkampen, niet hier. Nee mam. Vier jaar. Renéetje, niet snoepen en je rèchterhandje geven, hè toe nou schat. Stil zitten in de kerk, waarom zing je niet mee, je kent het versje toch? Fluisteren: dan doe je maar alsof. Vindt God dat goed? Natuurlijk schat, doe het maar voor de mensen.
Langzaamaan loopt het verhaal uit de hand, dit is ook zo ongeveer het punt waarop de lezer zijn afkeer heeft opgegeven en zich aan het verhaal overgeeft. De laatste hoofdstukken zijn meeslepend. Renée ontsnapt eerst (via de wc) aan een oude tante, die bij haar op bezoek is en gaat vervolgens alleen in een restaurant oesters eten. Later, samen in een taxi met Lucas en Jenny, begint ze een volkomen irrelevant gesprek over het gebruik van Pokon. ‘De beste manier om Pokon aan de planten te geven is een theelepeltje uit te strooien boven elke pot, dus niet verdunnen op een liter water.’ Kort daarna valt ze flauw als ze met Jenny en Lucas uit eten gaat.
‘Lucas, wat kan dit zijn? vroeg ze kinderachtig.
‘Ik denk dat de situatie je ontglipte.’
Doeke Sijens
Nel Noordzij – Het kan me niet schelen. De Bezige Bij, Amsterdam. 1962, 3de aangevulde druk (Literaire Pocketserie no. 87). Eerste druk: 1955. De roman is nog uitsluitend antiquarisch te koop. Ook te vinden in de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL).
Deze recensie is de zevende in een serie over boeken die in 1955, dus zeventig jaar geleden, zijn verschenen.
