(Met dank aan hersenprofessor Dick Swaab)

In mijn zojuist bij uitgeverij Pluim verschenen zwanenzang In verlatenheid, een lange novelle (207 pp.) waarin ik in een ‘gecontroleerde stream of consciousness’, terugga door de tachtigjarige geschiedenis van mijn bestaan, geheel conform de mooiste slotzin van een literair werk ooit verzonnen, door F. Scott Fitzgerald (1896-1940) de F staat voor Francis: ‘So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past’, komt een passage voor die mij, hoewel met enige trots, altijd heeft verbaasd. Ik lig daarin op mijn knieën voor een fauteuil met mijn armen rond het dashondje (teckel) Jonker, dat met zwoegende ademstoten in die stoel bezig is te sterven. Ik druk hem tegen mijn hoofd en raak overweldigd door emotie.
        Hoe lang moet dit nog duren? Please!
        En dan slaat er een zin uit het werk van William Shakespeare dwars door mijn hete hersens, zonder dat ik die woorden bewust oproep. Het is de bede van the Earl of Kent, die het lijden van zijn King Lear niet langer kan aanzien: ‘Break heart, I prithee, break!’ roept hij uit en op datzelfde moment verslapt het lichaam van Jonker en ‘steekt hij voor altijd zijn slappe tong naar me uit’, zoals ik in mijn novelle schrijf.

Ik ken het werk van Shakespeare als literaire god redelijk goed, maar hoe het mogelijk is dat uit dit kolossale oeuvre (38 toneelstukken en ruim 150 sonnetten) juist deze hartenkreet van Kent zich op het stervensmoment van Jonker aan mijn gemoed opdrong, stelt mij voor een raadsel. Kan ons brein zelfstandig opereren en uit het geheugen een citaat opdiepen dat we in ons bewustzijn niet paraat hebben? (Over Shakespeare als god citeer ik hier nu bewust de Amerikaanse professor Harold Bloom (Yale University): ‘There is but one god and his name is William Shakespeare.

*

Een even frappant voorbeeld van het brein als onafhankelijk medium deed zich ooit voor op een Franse camping ergens in de Dordogne, met tenten en caravans op een uitgestrekt glooiend grasveld, keurig kort gemaaid. Ik was op weg naar de rivier, een zijrivier van de Dordogne, de Vèzere, en passeerde een oudere vrouw, eerder een oma dan een moeder, die bij een zitje voor een caravan, met een tafel, stoeltjes en een parasol, een klein huilend meisje bij haar onderarm beet hield. Ik schatte de leeftijd van het kind op een jaar of zes. Ze droeg witte sokjes zonder schoenen en kreeg straf, waarbij de overtreding die ze had begaan haar in het gezicht werd gesmeten. Ik begreep dat ze met die witte sokjes zonder schoentjes niet over het gras had mogen lopen en dat ze daarvoor duidelijk genoeg gewaarschuwd was. Met haar vrije hand sloeg de vrouw met forse uithalen op het loshangende handje van het kind. Niet eenmaal maar onophoudelijk, terwijl het meisje luid huilend stond te trappelen van pijn en angst.
        De aanblik van dit tafereel wekte mijn agressie, die uit mijn maag opsteeg naar mijn brein.
        Dit was geen boze oma, drong het tot mij door, dit was een gevoelloze harpij.
        Ik hield mijn pas in en schreeuwde haar toe: ‘Ca suffit, hein!
        De vrouw liet de arm van het kind los en keek me met grote schrikogen aan. Wat overkwam haar hier? Een vreemde man die haar bedreigde! Het meisje rende weg en verdween in de caravan.
        Ik wendde me van het onmens af en vervolgde mijn weg in de richting van de rivier.
        Ca suffit, hein
        Hoe kwam ik daarbij? Nooit eerder gebruikt.
        Had ik die uitroep ooit ergens gelezen of gehoord en hem toen diep weggeborgen in mijn geheugen, om hem nu te kunnen gebruiken? Had mijn brein het hier zelfstandig overgenomen en in mijn bewustzijn een opening geforceerd?
        Zou Dick Swaab dit weten?
        Hoe dan ook, het bestaan van dit mechanisme geeft het leven wel een extra reliëf; ik bedoel, je bent zo niet helemaal alleen in deze wereld. Je hebt altijd je brein nog, met je ondoorgrondelijke geheugen.

L.H. Wiener