Tegen de onverschilligheid

Caro Van Thuyne heeft de laatste jaren met enkele bloedmooie boeken een ereplaats weten te bemachtigen in het literaire pantheon van Vlaanderen en Nederland. Lijn van wee en wens (2021) en Bloedzang (2023) zijn donker maar zijn geschreven in een meesterlijke en sprankelende stijl. In Hoeveel duizend uren komen we opnieuw in een wereld vol tristesse. De taal is eenvoudiger, hoewel nog altijd zintuiglijk en uitbundig.

In het derde en laatste deel van het boek gaat Van Thuyne dieper in op de opzet van haar boek. Een jaar lang heeft ze de krantenfoto’s die haar raakten bewaard. Het was een jaar waarin het wereldnieuws werd gedomineerd door oorlogen, rampen, de klimaatcrisis en nationalistische egotripperij. Van Thuynes doel is tweeledig. Niet enkel wil ze de afbeeldingen beschrijven als een tegengewicht tegen de vluchtigheid van krantenfoto’s, ze wil ook haar lezers laten voelen zoals ze zich zouden voelen wanneer de ellende en het leed betrekking zouden hebben op zichzelf en hun geliefden.

Van Thuyne begint met de foto van de Palestijnse Reuter-fotograaf Mohammed Salem waarop een vrouw is te zien die haar levenloze en in witte doeken gewikkelde vijfjarige nicht vasthoudt – ze stierf na een Israëlische raketaanval in Gaza. Inas Abu Maamar en de kleine Saly. Elke naam is belangrijk. De foto werd bekroond met de World Press Photo of the Year. Van Thuyne draagt het boek aan hen op. Maar bij uitbreiding ook aan ‘alle vermoorde onschuld’, ‘alle getraumatiseerde overlevers’ en ‘allen die moedig blijven getuigen’.

Vervolgens krijgt de lezer een duizelingwekkende aaneenschakeling te verwerken van weerzinwekkende beelden. Er zijn de oorlogen in Gaza en Oekraïne maar veel beschrijvingen zouden over om het even welke oorlog kunnen gaan. De woorden die worden gebruikt: puin, bloed, verkrachting, amputatie. We lezen over het droppen van voedselpakketten, het aanschuiven om wat eten te bemachtigen, de wanhoop van de ontheemden en de woede over alle gewonde of gestorven mensen. Tussen het oorlogsgeweld staan ook beschrijvingen van dierenmishandeling, klimaatactivisten, bootvluchtelingen, daklozen, bosbranden. Dikwijls weet de lezer niet welke foto wordt beschreven maar sommige beelden zijn zo iconisch geworden dat elke lezer de foto voor zich ziet, zoals deze:

En jij. In het midden van wat een straat was, baan jij je rustig een weg tussen het puin naar de twee tanks die al weken het ziekenhuis beschieten. Je lege handen goed zichtbaar naast je doktersjas. Je werkeloze handen die mensen willen redden. Dit is het laatste beeld dat we van je zagen, samid. Je donkere achterhoofd, je witte rug, je dappere stappende voeten. Je ongewapende handen. Je ging in vrede.

De kracht van het boek ligt erin dat van een opsomming van beschrijvingen een aanklacht en een oproep tot empathie worden gemaakt. De keuze van de foto’s is persoonlijk. En net zoals het nemen van foto’s nooit neutraal is, zijn beschrijvingen dat ook niet. Soms is een beschrijving door de gekozen woorden een aanklacht:

Het kindje kan niet meer zitten als ik het niet bij de schoudertjes houd. Ik trek het T-shirtje omhoog opdat U uw foto kunt maken. Van die kralenketting van werveltjes. Die ribbetjes zonder vlees. Die afgekloven kippenvleugeltjes.

Als Van Thuyne het heeft over mannen in de blauwe maatpakken van het gezag, die nooit een wapen zullen moeten afvuren, voelt de lezer de afkeer. Ook als ze schrijft dat soldaten een selfie nemen met op de achtergrond een stad in puin. De cursieve citaten in het eerste deel, die komen uit Orchis militares van Ivo Michiels, lezen bovendien als een cynisch commentaar:

Ik zweer iedereen te verachten die niet de huid heeft van mijn volk dat het uitverkoren volk is. Ik zweer.

Het motto van het boek ontleent Van Thuyne aan De oorlog heeft geen vrouwengezicht van Svetlana Alexijevitsj:

Ik heb meelij met wie uw boek gaat lezen, maar ook met wie het niet leest…

En dat raakt aan de kern van de boodschap uit Hoeveel duizend uren: Van Thuyne keert zich tegen zij die de pijnlijke werkelijkheid de rug hebben toegekeerd en zich wentelen in het behaaglijke van het niet-weten. Van Thuyne is duidelijk en in het derde deel van haar boek expliciet: het is nodig om de toestand van de wereld rauw te laten zien opdat ook rauw moet worden gevoeld. We moeten ons niet afschermen maar opnieuw ‘poreus’ durven zijn. En daarom is het boek een aanklacht tegen onverschilligheid maar ook een oproep tot empathie, hoop, verzet en actie. Met Hoeveel duizend uren tegen de wanhoop heeft Van Thuyne een origineel, ongemakkelijk maar ook noodzakelijk boek geschreven.

Kris Velter

Caro Van Thuyne – Hoeveel duizend uren. Tegen de wanhoop. Koppernik, Amsterdam. 104 blz. € 19,50.