Een kras in het bewustzijn

‘Relevant zijn, een kras achterlaten in het bewustzijn van deze of gene’. Dat is de ambitie van Onze jongen van de Spaanse auteur Fernando Aramburu (1959). Een ambitie die de tekst zelf formuleert. Daarover later meer. Maakt de roman die ambitie ook waar? Ik vrees ervoor. Het op waargebeurde feiten gebaseerde verhaal over een gezin dat zijn zoon verliest bij de gasexplosie in Ortuella in 1980 zal zonder twijfel bij lezers links en rechts een kras achterlaten. Maar de diepe impact en het succes van Vaderland evenaren lijkt me uitgesloten. Daarvoor blijven de meeste personages in Onze jongen te steriel en is het geheel te wankel.

Aramburu zelf heeft wellicht niet veel introductie meer nodig. De Spanjaard, die sinds 1985 in Duitsland leeft en werkt, had in 2016 een grote literaire hit te pakken met Vaderland (Patria), een meesterwerk over twee gezinnen en de impact van de terreur van de Baskische afscheidingsbeweging ETA. Vaderland ging meer dan anderhalf miljoen keer over de toonbank en HBO verwerkte het verhaal tot een succesvolle televisieserie. In 2021 volgde Los Vencejos, vertaald als Het tellen van de dagen, het verhaal over een man die beslist om binnen een jaar zelfmoord te plegen en intussen terugkijkt op zijn leven.

Nu is er dus Onze jongen, de vertaling van El niño. Netflix komt in 2026 met een film die gebaseerd is op het boek. Dat boek zelf is dit keer geen vuistdikke klepper, maar een kortere roman gebaseerd op waargebeurde feiten: een gasexplosie in een school in Ortuella in 1980 waarbij vijftig kinderen en drie volwassenen om het leven kwamen.

Een van die kinderen is Nuco, het zesjarige zoonje van Mariaje en José Miguel. Aramburu beschrijft hoe mensen omgaan met het verlies en met rouw. Al zijn lang niet al die beschrijvingen zijn even ‘raak’. Zo klinkt het nogal als een ingetrapte open deur wanneer de vader in tranen tegen de moeder het volgende zegt over het verlies van zijn zoon: ‘Dit is gewoon een hele, hele harde klap’.

Mariaje weet eerst niet goed of ze zich vooral bedrogen moet voelen ‘door God’ of ‘door het lot’, maar ze blijft wel ergens vasthouden aan haar geloof. José Miguel, een fabrieksarbeider die wordt geportretteerd als een dommige Lamme Goedzak, dringt al snel aan op een nieuw kind. Daarnaast is er ook de grootvader van Nuco, Mariaje’s vader. Hij hield zielsveel van Nuco en weigert te aanvaarden dat Nuco overleden is. Hij creëert een eigen wereld waarin zijn kleinzoon blijft leven en waarin hij hem naar school blijft brengen, tegen hem blijft praten, enz… Dat levert nog wel ontroerende passages op, maar al bij al zit er vrij weinig reliëf in de hoofdpersonages.

Meer geslaagd is de tweede verhaallijn die Aramburu ontwikkelt als een soort gevaarlijke onderstroom. Gaandeweg kome je als lezer te weten dat Mariaje een geheim met zich meedraagt, een geheim dat grote gevolgen kan hebben als het uitkomt. Je zou kunnen zeggen dat Vaderland ging over verscheurde families die symbool stonden voor een land verscheurd door de ETA-terreur. Onze jongen gaat over een familie die verscheurd wordt door een externe en een interne tragedie.

Aramburu wisselt de hoofdstukken over het rouwende gezin af met hoofdstukken waarin het boek zelf spreekt en (in het cursief) commentaar geeft bij de tekst. Daar stopt de metatekstualiteit niet eens. In zijn woord vooraf heeft Aramburu het dan nog eens over die tiental cursieve passages, passages die hij eerst zag als ‘bemoeizuchtige interventies’ of ‘overbodige toevoegingen die de narratieve continuïteit verstoren en daarmee ondermijnen’. ‘Dat oordeel heb ik later herzien’, voegt Aramburu meteen toe. Maar echt overtuigen doen die passages toch niet. Ze lijken meer op een kunstje, een gimmick en voegen maar weinig toe aan het verhaal. De laatste cursieve commentaarpassage leest ook als een halfslachtige poging om zich in te dekken tegen mogelijke negatieve kritieken:

Ik zal me verheugen over positieve positieve kritieken en me neerleggen bij de negatieve. Er zit niets anders op. Maar ik ben van mening dat de inspanningen van degene die mij heeft geschreven de moeite waard zijn geweest indien er ook maar één enkele lezer is, een man of een vrouw, nu of in de toekomst (als dat niet van al te veel pretenties getuigt), die mij betekenisvol of misschien wel ontroerend vindt. Meer vraag ik niet: relevant zijn, een kras achterlaten in het bewustzijn van deze of gene.

Maarten De Rijk

Fernando Aramburu – Onze jongen. Uit het Spaans vertaald door Hendrik Hutter. Wereldbibliotheek. 224 blz. € 21,99.