Recensie: Johan de Boose – Joegoslavië
Confetti over Joegoslavië
De Vlaamse schrijver en slavist Johan de Boose is verslingerd aan de landen van het voormalige Joegoslavië. Hij leerde Servo-Kroatisch, bezocht de regio tientallen keren en verdiepte zich in heden en verleden van het gebied: kortom, hij kent voormalig Joegoslavië als zijn broekzak. Al die samengebalde kennis en ervaringen heeft De Boose nu bijeengebracht in een vuistdikke pil waarin hij de regio tot leven wil wekken. Het boek is het verslag van een reis die hij maakte door Noord-Macedonië, Kosovo, Servië, Kroatië, Slovenië, Montenegro en Bosnië-Herzegovina.
Zijn tocht voert hem langs tal van plaatsen waar zich in de loop der eeuwen historische gebeurtenissen hebben afgespeeld: het Merelveld in Kosovo, waar in 1389 de Serviërs door de Ottomanen in de pan gehakt werden; concentratiekamp Jasenovac, waar de Kroatische nazi-marionetten in de Tweede Wereldoorlog gruweldaden begingen; de verschillende onderkomens en hoofdkwartieren van Tito verspreid over het land; en natuurlijk Srebrenica, Sarajevo en tal van andere plekken die de wereld leerde kennen tijdens de oorlogen die in de jaren negentig van de vorige eeuw het land uiteenscheurden.
Steeds weer verwondert De Boose zich over het feit dat Joegoslavië uiteindelijk uiteengevallen is. In zijn inleiding schrijft hij:
Niemand werd beter van die oorlog, die geen burgeroorlog was en evenmin een stammenoorlog (al stellen sommige westerse media het graag zo voor), maar een georganiseerde afrekening, Iedereen verloor, behalve wie troost putte uit slachtofferschap en hemelse beloningen. […] Het uiteenvallen van Joegoslavië was een humanitaire ramp, maar vooral ook een gevecht om de macht, beslecht door oude en nieuwe elites die het nationalisme gebruikten om hun positie veilig te stellen. Daarbij was de zorg om de belangen van het volk dat ze vertegenwoordigden van ondergeschikt belang.
Op zijn reis spreekt De Boose heel wat mensen die heimwee hebben naar het land dat niet meer bestaat. Tijdens een ontmoeting met een Macedoniër noteert hij: ‘Joegoslavië was a hell of country, zegt hij, en om er geen misverstand over te laten bestaan steekt hij twee duimen op. ‘Zolang je je aan de regels hield uiteraard. Geen concurrentie of competitie, maar wel inspectie, alles moest kloppen. Je werd niet rijk maar je werd ook niet arm.’’
Om vat te krijgen op de lotgevallen van dit vermaledijde land spreekt De Boose niet alleen met inwoners van de landen die ooit Joegoslavië vormden, maar probeert hij ook in gesprek te gaan met al lang overleden mensen die de geschiedenis mede vormgaven: ‘Al schrijvend probeer ik dichter bij hen te komen, naar hen te luisteren, met hen in gesprek te gaan. Wat had ik hen graag ontmoet. Ze zouden mij als bezoeker uit de toekomst argwanend hebben bekeken, maar ik zou geprobeerd hebben om hun vertrouwen te winnen. […] ik zit tegelijkertijd een tapijt te weven met alle draden die ik krijg aangereikt: uit de tijd en uit de omgeving die ik bereis.’
Tijd en ruimte lopen meer dan eens door elkaar in de vertellingen van De Boose:
Alles hangt met alles samen op het tapijtje dat ik zit te weven. Mijn verbeelding slaat op hol. Als ik even niet oplet komt er straks een bezoeker uit de toekomst aan mijn tafel op het schiereiland zitten, zoals ik zelf graag in mijn fantasie op bezoek ga in het verleden om de mensen van toen zogezegd de stuipen op het lijf te jagen en hun een schets te maken van wat er tien, vijftig, honderd jaar na hun overlijden zal gebeuren.
Dat tapijt, dat is neergelegd in bijna zeshonderd pagina’s tekst, bevat niet alleen tal van historische vertellingen, maar ook heel wat impressionistische sfeertekeningen en beschrijvingen. De Boose legt zichzelf daarbij bepaald geen beperkingen op. ‘Hoe kan ik de onbevattelijkheid van dit land vatten? Door zo irrationeel mogelijk te zijn, door alle rede uit te schakelen en te tasten naar hoe het hier is, met mijn tenen, met mijn voelsprieten.’
Probleem is alleen wel dat De Boose nogal eens verdrinkt in zijn beschrijvingen van alles wat hij ziet, voelt, meemaakt en weet. In historische passages laat hij vaak net te veel figuren opdraven, wier belang hij even aanstipt, maar die vervolgens weer verdwijnen in de mist van de geschiedenis. En de steden die hij bezoekt en de landschappen die hij bereist, gaan soms verloren in de lyriek waarmee hij alles tot in de kleinste details wil optekenen. De stijl die De Boose hanteert, is als confetti die hij over de lezer uitstrooit: al die flintertjes hebben vast hun eigen schoonheid en charme, maar tezamen bemoeilijken ze het zicht op de werkelijkheid.
Toch zijn in dit vuistdikke boek zeker ook pareltjes aan te treffen. Zo ontmoet De Boose in Belgrado de hoogbejaarde Radmila, die helder de betekenis van Tito voor Joegoslavië uittekent en de vele gedaantes van deze ‘vader des vaderlands’ weet te schetsen. En de wijze waarop De Boose de genocide in Srebrenica beschrijft, doet je de rillingen over de rug lopen.
Wie zich door De Boose op sleeptouw laat nemen, kan door alle confetti heen de contouren waarnemen van een land waar van alles mogelijk was en waaraan veel inwoners nog altijd met heimwee terugdenken. Als hij schrijft over de aanloop naar de oorlogen die het lot van Joegoslavië bezegelden, stelt De Boose dan ook terecht de vraag: ‘Waarom werd de bevolking nooit om haar mening gevraagd? De meeste burgers wilden dat Joegoslavië bleef bestaan. Slechts een handvol fanatici hoopte op oorlog en plantte het zaad van vernietiging en haat.’
Roeland Sprey
Johan de Boose – Joegoslavië; kroniek van zes of zeven landen. De Bezige Bij, Amsterdam. 672 blz. € 39,99.
