Recensie: Mario Vargas Llosa – De oorlog van het einde van de wereld
De Sertões
In 1902 verscheen Os Sertões (De achterlanden), een boek waarin de Braziliaanse journalist en ooggetuige Euclides da Cunha verslag deed van de militaire campagne tijdens de jaren 1890 van het Braziliaanse leger tegen de tienduizenden straatarme volgelingen van de Conselheiro, de Raadgever. Diep in de onherbergzame Sertão, het woestijnachtige achterland van Bahia, breidden ze de nederzetting Canudos uit tot een kleine stad en daar verschansten ze zich, de leefregels van hun Conseilheiro navolgend en wachtend op het einde der tijden.
Mario Vargas Llosa las Da Cunha’s huiveringwekkende verslag, deed nader onderzoek naar deze oorlog en de sociale en politieke achtergronden ervan en schreef er een vuistdikke, magistrale roman over, De oorlog van het einde van de wereld, verschenen in 1981. Hij droeg die op aan Da Cunha en voerde hem in het verhaal op als ‘de journalist’, een belangrijke bijrol. Uitgeverij Meulenhoff bracht in 1984 een vertaling uit en komt nu, eenenveertig jaar later, met een nieuwe druk, de tiende. Ik neem aan dat het overlijden van Vargas Llosa, eerder dit jaar, debet is geweest aan dat besluit.
Na tweeënhalve eeuw een Portugese kolonie te zijn geweest, werd Brazilië, nadat de koninklijke familie door Napoleon uit Lissabon was verjaagd en de oceaan was overgestoken, in 1815 de hoofdzetel van het Verenigd Koninkrijk van Portugal, Brazilië en Algarve. In 1822 durfde de koning een bezoek aan Portugal weer aan. Prompt verklaarde de achtergebleven prins Pedro Brazilië onafhankelijk, waarna hij zich tot keizer Dom Pedro I liet kronen. Als keizerrijk hield Brazilië stand tot 1889, een jaar na de (late) afschaffing van de slavernij. De nieuwe republiek had burgerlijk-democratische trekken, maar de machtsverhoudingen waren rond 1890 verre van stabiel. Monarchisten, republikeinen, federalisten en anti-federalisten en generaals uit op vestiging een militaire dictatuur, allemaal streden ze om de macht, in wisselende coalities. In Bahia mengden zich bovendien bandietenbendes en de grootgrondbezitters met hun eigen ordediensten en huurmoordenaars in de strijd.
De Raadgever trok in de jaren 1870 en 1880 als een pelgrim langs dorpen en nederzettingen van Bahia. Hij dichtte de gaten in de vloeren en daken van vervallen kerkjes en kalkte hun muren en hij voorzag kerkhofjes van omheiningen, levend van het schaarse voedsel dat hem werd toegestopt. Eerst alleen, maar allengs gevolgd door een groeiende groep boetelingen, die betoverd waren door zijn stem, zijn raadgevingen en zijn voorspellingen en die in hem een heilige zagen, zo niet een Messias. De meesten waren armoedzaaiers, maar er zaten ook tot inkeer geraakte bandieten tussen. Ze vestigden zich in Canudos, zich het land toe-eigenend dat behoorde tot een hacienda van de baron van Canabrava.
De aantrekkingskracht van de Raadgever en van zijn boodschap werd voelbaar in heel Bahia, anders valt niet te verklaren dat vanuit de hele sertão duizenden mensen naar Canudos trokken. Die boodschap kreeg een politiek karakter toen de Raadgever zich keerde tegen de republiek en tegen alles wat de republiek aan vernieuwing bracht, zoals vereenvoudiging van het stelsel van maten en gewichten en het burgerlijk huwelijk. ‘De Antichrist was op aarde en zijn naam was Republiek’, concludeerde de Raadgever.
In De oorlog van het einde van de wereld voert Vargas Llosa een hele rij personages op die elk bepaalde facetten van deze gecompliceerde geschiedenis belichten. Een daarvan is eerdergenoemde baron, wiens machinaties ten doel hebben republikeins beleid terug te draaien en van Brazilië een federatie te maken met veel autonomie voor Bahia, opdat de grootgrondbezitters daar de macht weer in handen krijgen. Republiek, leger, de rijke elite van Bahia, niemand acht de Raadgever en zijn sekte militair en politiek een knip voor de neus waard. Maar elk hebben ze er om hun eigen redenen belang om die als serieuze dreiging af te schilderen. De republiek om met het uiteenjagen ervan haar gezag te vestigen, het leger om daar zijn blazoen mee op te poetsen en Bahia’s elite om gemene zaak te maken met federalistische krachten.
En zo komt de sertão in beweging: een leger van vijfhonderd man marcheert naar Canudos, een bijziende journalist laat zich ernaar toe gidsen, een stroom armoedzaaiers is naar Canudos op weg om de Raadgever te steunen en dan is er ook nog een schedelmetende frenoloog annex bevlogen revolutionair die probeert Canudos te bereiken omdat hij vermoedt dat daar een socialistische utopie werkelijkheid wordt. Hij is van Schotse afkomst en gaat wegens openstaande gevangenisstraffen schuil achter de naam Galileo Gall. Het gerucht dat een Engelssprekende man door de sertão zwerft, zwelt aan tot een complottheorie en als zodanig tot een sterke politieke factor: de Britten zijn er vast op uit Bahia toe te voegen aan hun koninklijke koloniale rijk, want die rare Engelsman is natuurlijk een spion.
De gebeurtenissen worden beschreven vanuit meerdere perspectieven, elk dat van de (in de derde persoon) opgevoerde personages, de raadgever, enkele van zijn volgelingen, de baron, de bijziende journalist, Galileo Gall, Galls gids en de echtgenote van de gids en nog anderen. Vargas Llosa hanteert daarbij een structuur van parallellen. Wat bijvoorbeeld de journalist beschrijft op basis van wat hij waarneemt – het woord ‘ziet’ moet worden vermeden, want als zijn bril eenmaal stuk is, is hij vrijwel blind – wordt ook beschreven door anderen, maar vanuit een ander gezichtspunt. Wat natuurlijk onverlet laat dat ieder er de gebeurtenissen op zijn eigen wijze interpreteert.
Die gebeurtenissen hebben na pakweg een kwart van de 700 bladzijden vrijwel allemaal direct of indirect te maken met de oorlog die tegen Canudos wordt ontketend. De eerste militaire operatie verloopt catastrofaal voor het leger. De Braziliaanse legerleiding, de bevelhebber van de operatie en de officieren, allemaal minachten ze de boetelingen. De onderschatting van hun gevechtskracht heeft desastreuze gevolgen: het leger verliest de helft van zijn manschappen en wat rest moet vluchten met achterlating van wapens en voorraden. Voor de Raadgever komt dat niet als verrassing. Eerder al voorspelde hij dat Canudos vier keer zou worden aangevallen. Drie keer zou het standhouden, maar de vierde keer, na belegering door een enorme overmacht, zal het in een inferno ten onder gaan.
De oorlog van het einde van de wereld is niets minder dan een groots epos. Dat meer is dan een indrukwekkend verslag van een oorlog tussen, in bijna elk opzicht ongelijke tegenstanders. Het enige wat ze gemeen hebben is dat ze allemaal lijden aan religieuze, politieke of ideologische verdwazing, met alle gevolgen van dien.
Deze roman schetst ook een fascinerend beeld van een sertão-cultuur, gevoed door een veelheid van bronnen: de oorspronkelijke Indiaanse bevolking, tot slaaf gemaakten, cimarrons, immigranten van allerlei slag en herkomst, de koloniale elite, en al hun vermengingen: mestiezen, mulatten, caboclo’s, mameluco’s, categorieën die allemaal nog weer onderverdeeld konden worden. Afgezien van de witte, koloniale elite, die zichzelf in elk opzicht superieur achtte, gold in de sertão min of meer gelijkheid voor allen, ongeacht hun categorie, waarbij ieder zich wel goed bewust van de eigen en andermans categoriale identiteit. Bedenk overigens dat in de tweede helft van de negentiende eeuw ras-denken en het idee dat persoonlijke en culturele kenmerken in sterke mate samenhingen met fysieke eigenschappen zeer populair werden. Je zou ook kunnen zeggen dat de culturele antropologie begon met schedelmetingen en haar- en huidskleurstalen.
De sertão-cultuur was in hoge mate gewelddadig. Schoeisel, daar kon je desnoods zonder, maar waar je nooit zonder kon was je dolk. En de lijst van omstandigheden waarin het legitiem was die te gebruiken, was erg lang, leert De oorlog van het einde van de wereld. Mario Vargas Llosa (1936 – 2025) kreeg in 2010 de Nobelprijs voor literatuur. Volkomen terecht. De veronderstelling ligt voor de hand dat deze monumentale roman van doorslaggevend belang is geweest bij het besluit tot toekenning.
Hans van der Heijde
Mario Vargas Llosa, De oorlog van het einde van de wereld. Vertaling Mariolein Sabarte Belacorte. Meulenhoff, Amsterdam. 702 blz. € 26,99.
Eerder verscheen deze recensie op Tzum

“Os sertões” is in het Nederlands verschenen – vertaald door August Willemsen – als “De binnenlanden”.
Fenomenaal boek
Een van de mooiste boeken die ik ooit heb gelezen. Fascinerend ook omdat ik zo weinig weet van die geschiedenis op dat continent. Bijzondere feiten.
Meen dat het ook heel anders is dan wat Vargas Llosa verder heeft geschreven. Een ander boek van hem kwam ik niet doorheen. Dit boek in een paar dagen uitgelezen, verzaakte wat ik had te doen.
Ik las het boek na verschijning begin jaren tachtig in een ruk uit na aanschaf – en onder het genot van – een kistje voortreffelijke brazil sigaren.
Verschillen de vertalingen in de heruitgaven van de oorspronkelijke uitgave?