Recensie: Marta Pérez-Carbonell – Niets is zo ongrijpbaar
Waar precies liggen de grenzen?
Ik had al het een en ander opgevangen en oren hebben nu eenmaal geen uitknop, peinst Alicia, protagonist van Niets is zo ongrijpbaar, de debuutroman van Marta Pérez-Carbonell. De Spaanse Alicia is vertaalster en werkt in Londen, maar moet om een of andere reden maandelijks een week naar de vestiging in Edinburgh. Door te lezen weet ze de lange treinreizen aantrekkelijk te maken. Uitgerekend de keer dat er twee intrigerende mannen meereizen in hetzelfde compartiment is ze een boek vergeten mee te nemen. Ze zijn geen familie van elkaar, begrijpt ze meteen, er is ‘een zekere gezagsverhouding’.
Wat doe je zonder boek met je oren die geen uitknop hebben, je luistert mee of je wilt of niet. De twee spreken over een voor Terry, de oudere man, kennelijk onthutsend artikel in The New Yorker, waarin hem wordt verweten misbruik te hebben gemaakt van niet voor de buitenwacht bedoelde uitlatingen van een andere jonge man, de acteur Hans. De roman was gepubliceerd met gefingeerde namen, maar de lezers van het boek en van The New Yorker meenden wel zeker te weten dat het om Terry en Hans ging. En toen brak de hel los.
De jongere medereiziger, Bou, blijkt een oud-student en protégé van Terry, universitair docent en schrijver, te zijn. Hij probeert er achter te komen wat er is gebeurd en hoe ‘fout’ Terry zich mogelijk heeft opgesteld. Ofwel of de journalistieke kritiek hout snijdt.
Marta Pérez – Carbonell docent Spaanse literatuur aan een New Yorkse universiteit, publiceerde eerder over het werk van de in 2022 overleden grote Spaanse schrijver Javier Marias, en waagt zich nu zelf aan een roman. Qua thematiek is in Pérez -Carbonells debuut wel enigszins verwant aan dat van Marias, die ook graag speelt met de vage scheidslijnen tussen fictie en non-fictie, tussen kennen en weten en tussen vertrouwen en verraad.
Alicia verschijnt in de treincoupé als onverwachte derde gesprekspartner, die aanvankelijk blanco staat in de kwestie van het verraad dat Terry zou hebben gepleegd aan Hans, die in diens novelle Rocco heet. Terry zegt zich van geen kwaad bewust te zijn, fictie is immers fictie, meent hij, en hij ervaart het als oneerlijk hem nu van alles te verwijten. Pérez – Carbonell gebruikt daarmee het gedrag van de bi-seksuele Terry, die niet zonder ‘publiek’ kan, om de vage grenzen te schetsen tussen wat we als werkelijkheid ervaren en wat alleen in ons hoofd tot ontwikkeling komt. Tijdens de gesprekken, waar Terry Alicia maar wat graag bij betrekt, meer publiek immers, lijkt de docent/schrijver zelf niet precies meer te weten wat er gebeurd is. Of hij speelt die rol. Door in delen van het boek over ‘Hans’ te spreken en in andere over ‘Rocco’ wordt de ongrijpbaarheid van gedragingen en gedachten manifest.
Niets is zo ongrijpbaar verwijst in de eerste plaats naar de talloze wegen van literatuur. Alicia is niet voor niets vertaalster en Terry schrijver, terwijl Bou er, als Terry’s ex-PhD-student een relatieve buitenstaander, voor zorgt dat de twee openstaan voor elkaars gedachten. Terwijl de trein door de Britse nacht dendert, vertelt ook Alicia haar persoonlijke verhaal, over ex-vriend Daniël, docent aan een faculteit Botanica, die haar op een reis naar een afgelegen, goeddeels onbewoond eiland aan haar lot overliet.
Centraal blijft echter Terry’s vermeende misbruik en verdwijning van Hans te staan, van wie al lang niets meer is vernomen. De roman heeft met die kwestie en het gesprek in de trein dus een heldere rode lijn, die met ingekaderde uitstappen wordt verrijkt en zelfs enigszins speurdersachtig eindigt. De corona-periode speelt een rol, toen mensen in hun eigen piekerende hoofd werden teruggeduwd, de verhoudingen tussen docenten en studenten spelen mee, een verbinding met Me Too dus, maar ook de enorme kwetsbaarheid van mensen in het tijdperk van de woeste horden op sociale media.
Marta Pérez – Carbonell is nergens een manipulerende of sturende duider, ze is vooral een fijnzinnig weefster van verhaallijnen, die elkaar soms even raken en beïnvloeden, dan weer hun eigen weg gaan. En dan ook nog in geregeld veelzeggende zinnen:
Het was een knus zaakje, zonder pretenties, althans, zoals iets in New York pretentieloos is: met veel pretenties die schuilgaan achter een façade van sjofelheid.
Dat de treinreis door Engeland en Schotland voert – Terry moet in Edinburgh een lezing houden over zijn novelle en vreest daar lastige vragen – maakt dit debuut niet tot een ‘Engelse’ roman. De twee mannen komen uit New York, Alicia is een Spaanse en Hans kwam uit Zwitserland, zodat de nodige verhaallijnen zich ver buiten de Britse grenzen afspelen. Een kenmerk van eenentwintigste-eeuwse literatuur, die zo zelfs heel wat meer grenzen doet vervagen dan alleen die tussen fictie en non-fictie, tussen kennen en weten en tussen vertrouwen en verraad.
André Keikes
Marta Pérez-Carbonell – Niets is zo ongrijpbaar. Vertaald door Joke Mayer. Meulenhoff – Amsterdam. 224 blz. € 22,99.
