Gedeelde referentie

Uit het memoir Een innerlijk vuur blijkt dat Nico Keuning, toch vooral ook bekend als schrijver van de soepele biografieën van onder meer Max de Jong, Bob den Uyl, Jan Arends, Willem Brakman en Belcampo, al vroeg door het lees-, schrijf- en uitgeefvirus is bevangen. Het is dan ook een bijzonder hardnekkig kiempje. Het begint zoals altijd met lezen, met het van jongs af verslinden van boeken. (Een echt goede schrijver is bovenal een goed lezer, een leven lang.)

In het geval van Keuning duidt hij in De aanloop, het eerste deel van zijn binnenlicht-boek, ook de externe redenen, de ontmoetingen met personen die hem literair hebben gevormd, hem vooral in de richting van de literatuurbeschouwing hebben gestuurd. Ja, hij had ook wel ‘echte’ schrijfambities, geculmineerd in de publicatie van een kinderboek onder pseudoniem, maar het was toch vooral de ongebreidelde nieuwsgierigheid naar de achterliggende gedachtes, naar het wezen van het schrijven, naar de mens achter de tekst.

Het valt te prijzen dat Keuning als uitgever een echte pure liefhebber is gebleven en niet een jager op bestsellermateriaal. Iets dat bijvoorbeeld collega Joost Nijsen van Podium weleens betreurde, afhankelijk ook een purist. Het enige bezwaar wat je tegen Een innerlijk vuur kunt hebben is de ondertitel: Literaire memoires van een kleine uitgever.

In bijna geen enkele beroepsgroep heb je een dergelijk onderscheid, al in de benaming. ‘Hallo, ik ben een kleine loodgieter, advocaat, architect.’ Er vanuit gaande dat de persoon in kwestie boven de honderdtwintig centimeter is, gaat dat niet op.

Niet voor niets – als ik me even uitzonderingsgewijs in een recensie mag melden – heeft ondergetekende, net als Keuning schrijver, recensent, interviewer en uitgever, maar ook presentator van het langslopende gebeuren in het hoofdstedelijke Paradiso, het omlijstende programma namelijk van de uitgeefbeurs aldaar, ditmaal op 30 november zo’n beetje voor het vijftigste jaar, er voor gewedijverd dat de naam van Beurs voor Kleine Uitgevers allereerst werd veranderd in Beurs voor Bijzondere Uitgevers en tegenwoordig in DRUK.

Het heeft een negatieve connotatie. Iemand die boekjes uitgeeft. Niet helemaal serieus te nemen. Tap, tap, tap op hoofd en schouder. De onafhankelijke waarachtige ziel moet juist geprezen worden voor de energie, voor de lef. Als een geuzennaam dan? Vroeger misschien. Boekjes bestaan niet. Ook al weer zo’n denigrerend woord. Kijk maar eens naar de recensie van de bundel Het kind en ik van Otto de Kat. Een volwaardig boek van zestig pagina’s. Tot zover.

Nico Keuning werd dus een bevlogen uitgever van uitgeverij Reservaat, genoemd naar het eenmanstijdschrift van de Reus van Vlaanderen Louis Paul Boon. Een uitlaatklep voor de ongekende literaire passie van Keuning. Ja, titels gemaakt in een niet zo grote oplage van pakweg tweehonderdvijftig stuks. Maar ook dat dondert niet, geeft het een bibliofiel karakter, maakt ze extra gewild. (Al is het weleens spijtig dat je dan nog één of twee moet herdrukken. Maar de keuze is begrijpelijk, heeft nog niet eens zoveel met de financiën van doen.) Het is heerlijk herkenbaar hoe Keuning met de eerste titels de hort opgaat, als een Geert van Oorschot vanuit de auto allereerst de Amsterdamse boekhandels onveilig maakt. Die als een personage van Elsschot, terwijl hij recensent is van het Haarlems Dagblad een eigen uitgave jubelend bespreekt. Geweldig! Ahum, herkenbaar.

Het is prachtig hoe Keuning als student op een gehorige zolderkamer troost, herkenning en mededogen vindt in het ‘dichterlijk superieur mislukte leven aan de periferie van het werkelijke leven’ van Max de Jong. De belangstelling voor de minor poets, de poètes maudit, is begrijpelijk. Het weerspiegelt de zoektocht van Keuning zelf in die dagen. En juist die ‘onbegrepen’ zielen zoals Arends, Moonen, Pointl, Stoute, Kostwinder et cetera zijn werkelijk fascinerend, o zo invoelbaar wanneer ze hun ziel open en bloot leggen.
Het is mooi om te zien hoe zaken ‘toevallig’ op het pad komen, hoe iemand uitgever wordt, biograaf, terwijl het niet een voordehand liggende keuze was. Ja, dat hardnekkige kiempje natuurlijk, die kern die je ergens in je jeugd, adolescentie wel vermoedt, maar die nog niet daadwerkelijk in heel je wezen is doorgedrongen.

Met documenten, foto’s, aanstekelijke verhalen, schetst Keuning zijn eigen ‘loopbaan’ op het uitgeverspad, uitgeverij Reservaat heeft zevenentwintig jaar bestaan, en geeft daarbij fijne achtergrondinformatie over onder meer Boon, Springer, Thomése, Reve, Hotz, Den Uyl, Krol, Starik, Arends, Stoute en Heeresma. Een boek om van te smullen voor de lezer die achtergrondinformatie wil hebben, die zich voor het juiste schrijversadres wil vergapen. En uiteraard is Een innerlijk vuur weer heel soepel geschreven, een fijne zelfanalyse ook. Daarom zou je dit net zo goed onder NUR 301 literaire roman of novelle kunnen kwalificeren in plaats van 621 literatuurgeschiedenis van de lage landen.

Guus Bauer

Nico Keuning – Het innerlijk vuur. Walburgpers, Zutphen. 224 blz. € 22,50.