Recensie: Otto de Kat – Het kind en ik
Levensdoel
Een klant in een boekhandel, staande bij een uitstalling van de wandeltitels in de reeks Terloops van uitgeverij Van Oorschot, prijst ‘de leuke kleine boekjes’ dubbelop. Dat verkleinwoord, van toepassing op het formaat, heeft toch ook een negatieve connotatie. Een boekje, op stel en sprong in elkaar gedraaid, de schrijver die het eventjes uit de mouw heeft geschud, een tussendoortje.
Doorgaans zijn de Terloops-delen echter heel doorwrocht, kleinoden met gedachtespinsels, hele filosofieën, stijloefeningen, samengebalde drijfveren, natuurbeschrijvingen, poëtica. De negatieve keerzijde van het verkleinwoord is al helemaal niet van toepassing op Het kind en ik van Otto de Kat. Een wandeling in het Munnikenland. Waar de ouders van Jan Geurt Gaarlandt, schrijvend onder De Kat, een dijkhuisje bezaten, totdat in de jaren zeventig ambtenaren met meetstokken op de dijk verschenen, het einde van de streek zoals de schrijver die kende in zicht kwam, dankzij een programma van Rijkswaterstaat dat eufemistisch ‘Ruimte voor de Rivier’ werd genoemd.
De Kat viert dit hele jaar al zijn vijftigste schrijversjubileum. Het kind en ik is ronduit gezegd een meesterproeve. Amper zestig pagina’s groot, weet de schrijver een evenwicht te vinden tussen weemoed en realisme, tussen poëtische natuurbeschouwingen en terloopse rurale verhalen. Prachtig, als ‘getuigenverslag’ is het wegtrekken voor de winter van de jonge ooievaars in de richting van Afrika, terwijl de ouden ze slechts een paar kilometer begeleiden om weer terug te keren op het nest. De uittocht van het kroost, maar zelden door een mens gezien. Een baken in het leven van de schrijver.
Het kind en ik is een tekst die boordevol geschiedenis van de streek staat, maar werkelijk nergens zijn de pagina’s volgepakt. Er zit lucht, er zit volop leven in de tekst. Het feit dat De Kat oude paden niet meer kan vinden, bepaalde landmarken zijn nu eenmaal verdwenen, verhoogt de dwaalfactor in de streek en in het boek zelf, geeft het iets onbestemds. Het idee dat je je opnieuw kunt oriënteren op bekende grond.
Het beeld van een bezoek onlangs aan een landschapschilder, een oeroude bosbewoner, kwam gelijk boven. Al zwijgend zittend naast zijn onderkomen, een voormalige forellenkwekerij, half in de grond verscholen, zagen we hoe een ijsvogeltje het nageslacht leerde jagen. Al na één misser wisten de jonge vogeltjes de brekingsindex van het wateroppervlak goed te beoordelen, vingen hun eerste stekelbaarsje.
De Kat weet met deze tekst juist die verschoven barrière tussen heden en verleden samen te voegen. Hij gebruikt daarvoor het gedicht Het kind en ik van Martinus Nijhoff, dat hij als jongeling van zijn moeder uit het hoofd moest leren voor een spreekbeurt, als leidraad, als mantra ook tijdens de voettocht. Een geniale zet. De strofen als nieuwe landmarken. Parallelle werelden die in de schrijver samenkomen, de wandelaar die naar believen terug kan gaan naar de beleving van bijvoorbeeld een zesjarige, een tiener of de vijftienjarige die op de dijk met auto van papa, een Renault Dauphine, mag oefenen, heen en terug naar het meest markante richtpunt: slot Loevestein.
Het kind en ik, deze tekst van De Kat dat is, bevat een schat aan goed gedoseerde aforismen, deels overgeleverd, deels ingegeven door de strofen uit het handvest, het gedicht van Nijhoff. ‘Een wak maken in het verleden, gaten schieten in de tijd, en wat vergeten werd boven water halen.’ ‘Lopen is een vorm van denken, ik wandel dus ik denk.’
Bij Loevestein denk je gelijk aan Hugo de Groot met zijn boekenkist. De jonge De Kat hoeft de naam maar te herhalen en Spanjaarden en Geuzen bestormen het kasteel. De voormalige godsvruchtige eigenaar van het dijkhuisje probeerde met man en macht de ‘vooruitgang’ tegen te houden, overerfde de procedure aan zijn zoon. Maar Goliath won dit keer. Maar, zo stelt De Kat terecht, ‘de verhalen krijg je niet onder de grond’, de herinneringen laten zich niet verslaan’.
Ontroerend is de korte, intense beschrijving van de dood van de vader van de auteur, iemand die als jonge jongen heel erg bang was voor de dood, maar die door de komst van zijn kinderen los is gekomen van de paniek. ‘De losse draden waar ik aan hing werden met jullie komst strakgetrokken. Jullie houden me op mijn plaats. Ik ben verankerd geraakt tussen mijn overleden vader en moeder en mijn levende kinderen.’ Kennelijk zonder pathos door de vader uitgesproken, en zonder Pathos door De Kat weergegeven. Hij herkent het, onderschrijft het. Een herkenbaar gevoel.
Het kind en ik van Otto de Kat is een volwaardig afgerond boek, weet daadwerkelijk te raken. Met dank ook aan Nijhoff.
HET KIND EN IK
Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde me moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
Met mijn hand een wak in het kroos
Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.
Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.
Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.
En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd gewist.
Martinus Nijhoff
Guus Bauer
Otto de Kat – Het kind en ik, een wandeling. Van Oorschot, Amsterdam. 60 blz. € 13,50.

