Schrijversbiotopen: Eddy du Perron in Bergen
Eddy du Perron in Bergen
Op 22 september 1939 streek Eddy du Perron met zijn vrouw Bep de Roos en zoontje Alain (‘Alijn’) vanuit Nederlands-Indië neer in Vlissingen met het idee zich definitief in Nederland te vestigen. Na aankomst verbleef het gezin op verschillende adressen. Onder andere in de ‘Wolkenkrabber’ in Amsterdam en in een pension aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag. Hij kon niet wachten zijn literaire vrienden te bezoeken. Twee dagen na aankomst in Nederland reisde hij naar Menno ter Braak in Den Haag. ‘Eddy was zeer opgewekt en strijdlustig,’ aldus Ter Braak in een brief aan Jan Greshoff. Het was alsof ze elkaar gisteren nog hadden gesproken. ‘Ik ben bijzonder blij, dat hij terug is, omdat hij de ongesluierde intelligentie en vriendschap met zich meebrengt, die hier zo verduiveld zeldzaam zijn.’
Op 4 oktober tufte Du Perron met d’oude tram naar Doorn om Vestdijk te bezoeken. Hij was verbaasd over de ‘aardige Hollandse meisjes’ die hij in Indië niet voor mogelijk had gehouden. In Brussel toog hij met Jan van Nijlen naar een café, waar ze een hele middag bijpraatten. Na enkele omtrekkende bewegingen vond De Perron tijdelijk woonruimte in het huis van mevrouw Maria Johanna Meuter, Nesdijk 19 in Bergen, Noord-Holland. Op 2 november werd hij veertig jaar, maar hij voelde zich twintig jaar jonger dan in Indië. ‘Ik heb een ongelooflijke werklust, tusschen nu en 50 zou ik heel wat kunnen doen,’ liet hij Greshoff per brief weten.
Nog geen kilometer verwijderd van de Nesdijk werden op het militair vliegveld door het Nederlandse leger begin 1940 voorbereidingen getroffen voor een dreigende inval van de Duitsers. Eerder dan gepland vertrok Du Perron met vrouw en kind naar een pension aan de Laan van Meerdervoort 835 in Den Haag: ‘Wij zitten in Den Haag,’ schreef hij aan zijn Indische lezers in Kritiek en Opbouw. Hij was uit Bergen vertrokken, ‘omdat het germaanse bezoek zeer dreigend werd’. Op 18 maart zouden zij terugkeren naar Nesdijk 19 in afwachting van een eigen woning.
Du Perron mocht dan bruisen van werklust, zijn fysieke gezondheid was tamelijk zorgelijk. Hij raakte steeds eerder vermoeid. Eerder had hij een longontsteking opgelopen en hij tobde met een zwak hart. Toch reisde hij weer naar Den Haag om er in het Rijksarchief onderzoek te doen voor zijn roman over Dirk van Hogendorp. Hij logeerde bij Menno en Ant ter Braak: ‘Ik was gisteren den heelen dag zoo ziekig,’ schrijft hij aan zijn vrouw. ‘Pijn in de gewrichten, koortsig, keelpijn, verkouden, – enfin, het kan overgaan of een nieuwe griep worden.’ Wat opvalt aan zijn brieven aan Bep zijn de liefdesverklaringen waarmee hij zijn berichten afsluit. Ze klinken als een afscheid, al schrijft hij in de tegenwoordige tijd: ‘Ik houd veel van je en wil je met niemand, niemand ruilen.’ Du Perron wilde in het Rijksarchief in Den Haag blijven werken, maar keerde door zijn zwakke gezondheid voortijdig terug naar Bergen. Vanaf 1 mei huurt hij het huis van David Kouwenaar, Doorntjes 32. Een straat vlak achter het huis van Adriaan Roland Holst aan de Nesdijk. Het oorspronkelijke huis van Kouwenaar uit 1935 aan de Doorntjes staat er niet meer.
Kunstenares Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912-2013) was tijdelijk bij haar ouders in de villa Jachtduin aan de Eeuwigelaan 36 (nu 38) in Bergen neergestreken. Gisèle maakte deel uit van het kunstenaarswereldje van schrijvers en schilders als J.C. Bloem, Charley Toorop, Eddy Fernhout, Adriaan Roland Holst en Joep Nicolas. Du Perron had in Amsterdam al kennisgemaakt met Gisèle, ‘de vrouw met de natste naam van Nederland’. In Bergen kwam hij over de vloer in Jachtduin. Het was dan ook min of meer vanzelfsprekend dat hij met zijn gezin daar zijn intrek nam toen de bewoners vlakbij het militaire vliegveld, na de inval van de Duitsers op 10 mei, hun huizen moesten verlaten. Du Perron had nog net kans gezien voor de Duitsers belastende brieven van zijn vrienden in de kolenkachel te verbranden.
‘Gisèle bood hem [Adriaan Roland Holst] en de Du Perrons logies aan,’ schrijft Kees Snoek in zijn lijvige biografie E. du Perron, Het leven van een smalle mens (2005). ‘Haar vader zou het prettiger vinden hen te moeten herbergen dan vreemden. Jany [Roland Holst] kreeg een kleine logeerkamer op de eerste etage, op zolder waren twee bescheiden kamertjes. In het ene kon Alain slapen, het andere was voor Bep en Eddy.’ Du Perron had al enige tijd last van zijn hart en lag de meeste tijd in bed. Bep en Jany zorgden ervoor dat de verdachte boeken van Eddy uit zijn huis werden verwijderd. Ze stopten ze in een zak en begroeven deze in een kuil in de tuin.
Het is een stille herfstdag als ik voor het huis Jachtduin sta aan de Eeuwigelaan. In slow motion dwarrelen wat goudgele bladeren. De naam JACHTDUIN staat in stevige zwarte letters op een bord tegen een wit zijhek. Het huis lag oorspronkelijk in het jachtgebied van de Heren van Bergen. Vandaar de naam. Het is een fraaie villa met een gebogen erker. Uit het rieten dak steken twee dakkapellen naar voren. Achter een van deze ramen sliep Jany in de bange dagen van mei 1940. Het huis dateert van 1930, naar een ontwerp van architect J.W.F. Hartkamp. ‘Het pand is ontworpen in de Engelse landhuisstijl, vermengd met elementen uit de Amsterdamse School,’ lees ik op internet. ‘Kenmerkend voor de villa is de landelijke en vriendelijke uitstraling door de ongepleisterde bakstenen buitenmuren, rieten dak, grote erker en ambachtelijke details.’
Hier dus, in dit huis op zolder, op bed, onder het rieten dak heeft Du Perron zijn laatste dagen doorgebracht. Zijn gezondheid ging, mede door de paniekerige oorlogsontwikkelingen, snel achteruit. Een ‘soort panische toestand’, aldus Roland Holst, in combinatie met Du Perrons angina pectoris, hartkramp door een vernauwde kransslagader. Bovendien hadden zijn werklust en schrijfdrift hem behoorlijk uitgeput.
De brief die hij op 4 april 1940 aan Jan van Nijlen schreef (Herinneringen aan E. du Perron, 1955) geeft een goede indruk van zijn strijdlustige activiteiten en de drang tot schrijven tegen onderdrukking en onrecht. ‘Ik heb zoo ontzettend veel te pennen,’ schrijft hij aan Van Nijlen, ‘dat je me niet kwalijk moet nemen als ik ook per briefkaart antwoord. Wij zitten nu hier in Bergen en hebben vanaf 1 Mei een definitief huis: Doorntjes 32, Bergen N.H. Noteer dat alvast.’ In Den Haag doet hij onderzoek voor het tweede deel van De onzekeren [na Schandaal in Holland, 1939] en hij logeert ‘bij Menno’. Hij schrijft artikelen, al heeft hij er zijn bekomst van. ‘Maar het moet.’ Zelfs nog steeds geen tijd gehad om zijn boeken uit te pakken na zijn aankomst uit Indië. En binnenkort verschijnt ‘Pak van Sjaalman en een dingetje en passant in ’t Rijksarchief opgedaan, en marge van Dirk van Hogendorp en betreffende zijn papa (het komt bij de Vrije Bladen). Verder tracht ik met wandelen weer fit te worden, want de 2 x griep van deze winter hebben me goed slap gemaakt.’
De toestand van Du Perron verergerde. Adriaan Roland Holst stapte op de fiets om de huisarts te halen. De dokter reed met de auto naar Jachtduin. Holst arriveerde later. De moeder van Gisèle deed open en vertelde hem dat Du Perron was overleden. In Den Haag had Menno ter Braak op diezelfde veertiende mei rond dezelfde tijd, ’s avonds tussen tien en elf uur, een eind aan zijn leven gemaakt. Onafhankelijk van elkaar hadden de twee vrienden, de mannen van Forum, het geweten van de literatuur, de literaire wereld in verbijstering achtergelaten.
Nu ik toch in de buurt ben, rijd ik door naar de Algemene begraafplaats. Ik ben de enige bezoeker, op de tuinman na, die ik met zijn bladblazer naar ‘Isfahaan’ wens. Op het achterste gedeelte van de begraafplaats liggen drie schrijvers bij elkaar. Op de steen van Adriaan Roland Holst is zijn naam nog te lezen, de jaartallen zijn met enige moeite te ontcijferen en van de spreuk ‘Wat was is geweest’ schemert nog de S van ‘is’ geweest. Het kunstwerk van Lucebert licht geel op naast de grijze sokkel van Joost Zwagerman, met boek. Alweer tien jaar dood: 18 november – 8 september 2015. Maar waar is het graf van Du Perron?
In de verte staan twee mannen in werkkleding onder een dak van grove dennen. Du Perron? ‘Ik loop wel even met u mee,’ zegt de man die vooraan staat. Onderweg wijst hij mij op de grafsteen van Charley Toorop en die van Edgar Fernhout. Ik vertel dat ik op het achterste deel van de begraafplaats het graf van Lucebert heb bekeken. Zijn gezicht licht op. ‘Er was op een gegeven moment een stukje van het kunstwerk af,’ vertelt hij. ‘Verdwenen. We konden het nergens vinden. De kinderen vonden het wel een spannend idee dat dat stukje ergens bij een bewonderaar thuis op een kast zou liggen.’
‘Ik dacht juist aan grafschennis.’
‘Zij vonden het bijna jammer toen we het stukje toch hadden gevonden.’
Iets verderop staat hij stil. ‘Dit is hem,’ wijst hij. Het mos heeft voor een groot deel de steen bedekt. Tussen dennennaalden schemeren de letters ‘du perro’. Eronder versleten woorden en jaartallen. De man maakt geen aanstalten een en ander weg te vegen. Het is eigenlijk wel mooi zo. ‘Zijn vrouw staat er ook op,’ zegt hij. Elisabeth de Roos lees ik onder die van Du Perron op het gegalvaniseerd plaatje dat op de steen is aangebracht. Duurzaam leesbaar.
‘Ik weet niet of ze kinderen hadden,’ zegt de man.
‘Een zoon. Alain,’ zeg ik.
‘Hoe oud zal die nu zijn?’
‘Hij is in 2015 overleden. Tachtig jaar.’
‘Een mooie leeftijd.’
‘Precies twee keer zo oud als zijn vader.’
We luisteren naar de stilte. De tuinman met de bladblazer is verdwenen.
Nico Keuning
