Column: L.H. Wiener – Nocturne groet aan A.H.J. Dautzenberg
Hi Anton,
Ik ben aangeland op p. 396, hoofdstuk 146, in En garde! Het boek is een overstelpend Document Humain, een woordstroom die je soms meevoert en soms tegenstaat (ik bedoel de stroomrichting, niet de inhoudelijke verhaallijn -narratief – zou jij zeggen, een woord dat zo snel mogelijk moet worden weggedaan.)
Je opmerking dat je het aan jou toegezonden boek van mijn hand: In verlatenheid gaat lezen, vat ik als uitermate eervol op, maar dat is kennelijk nog niet gebeurd, want ik heb daarop niets meer vernomen. Een bewijs te meer dat wij eigenlijk schrijven voor de kat zijn kloten, of haar kut. (Ik heb in de afgelopen jaren twee katten door verdrinking verloren, dus zelfs schrijven voor hen is zinloos.) Overmoedig voorwaarts, zou jij zeggen.
Je bent lief voor je moeder en je inspanningen jegens de twee mannen die mishandeld worden in Ecuador doet mijn maag bij vlagen krimpen.
Die hele pedofilie klotenzooi moet pas aan bod komen als er sprake is van seksuele viezigheid, daarbuiten is het een persoonlijke overweging die niemand anders aangaat. Wie met zijn pedofiele schattigheid te koop loopt riskeert niets anders dan onbegrip en tegenstroom. Ik ben vergeten wat Leslie en zijn vriend in Ecuador te zoeken hadden, maar dat het hun ongeluk zou brengen staat als een paal boven water (pun intended).
Ik kon om de een of andere reden niet slapen en zit nu aan de wijn, die mij langzaam opdrinkt. Van het largo in het concerto nummer 5 in F minor BWV 1056, uitgevoerd door de schone Jodin Simone Dinnerstein, heb ik de tranen in mijn ogen nauwelijks kunnen terugdringen en dat heeft niets met de Camden Park te maken, maar met mijn ziel, die door Bach en die heerlijke Joodse schoonheid wordt blootgelegd.
Als de scandinaviër Vikingur Olafsson, die het largo net zo mooi speelt, Simone Dinnerstein over de Steinway and Sons legt en haar daar, staaf gesmeerd, tot de orde ramt, wordt Bach opnieuw geboren. Ik lul maar wat, wat moet ik anders in deze donkere nacht. Wel heb ik mijn kerstlichtjes over het hek van mijn terras branden, schitterend (2x).
Ik neem je die onpasselijke foto kwalijk, waarop je naakt op Gods aardbodem ligt te krampen, met een grote zak met ballen en een klein ventiel, zeer onsmakelijk. Heb je dan geen enkele gêne?
Ik houd een lijst bij van misprints en andere fouten en zal je die te zijner tijd sturen, voor een eventuele 2e druk.
Dat je je hebt overgegeven aan de engerling Mai Spijkers (money doesn’t talk, it swears, Bob Dylan) moet je inderdaad zelf beslissen, maar als je aan Mizzi Pluim komt schop ik je voor je Tilburgse kloten.
Dat ik je als een belangrijk schrijver beschouw komt door de sterfscène van je vader in de roman Extra tijd.
Hartelijke groet,
Lodewijk

Groot schrijver. Melancholicus.
Fijn dat jullie Wiener ruimte bieden.