De literaire gebeurtenis van 2025 volgens Miriam Piters
De literaire gebeurtenis van het jaar was voor mij het 74ste Boekenbal. Het zaalprogramma voorafgaand aan het dansen stond geheel in het teken van het boekenweekthema ‘In je moerstaal’ en het was fenomenaal. Allerlei talen en teksten passeerden de revue in verschillende muziekstijlen. Begin en einde waren voor het nummer Oerend hard: de tienjarige Lise opende met haar ontroerende, ingetogen vertolking en showcorps Irene eindigde het programma met hun versie van hetzelfde nummer. Daartussen zaten Imca Marina (Gronings), Wilfried de Jong (Rotterdams) en Katinka Polderman (Zeeuws), Rein Mercha (Haags en Sinti-Romanes), Herman Finkers (Twents), danser Boaz Blume (gebarentaal), Tom Lanoye (het Afrikaans en Waaslands) en het vijfstemmige koor Sankofa zong a cappella een Surinaams rozenlied. Sholeh Rezazadeh declameerde haar Boekenweekgedicht in haar moerstalen Azerbeidzjaans en Perzisch en liet me prompt verlangen om die talen machtig te zijn.
Maar het was vooral het samenspel van zanger Frans Pollux en schrijfster Nynke de Jong die al mijn zintuigen op scherp zetten. Hun vertolking in het Limburgs en Fries van Hald mich ens vas maakte een wereld aan herinneringen, geuren, smaken, geluiden en verhalen in me wakker. Eveline Aendekerk had met haar eloquente speech in het Remunj de weg naar verschillende scènes uit mijn jeugd al geplaveid. Toen zij de avond opende, voelde ik me landen in het huis van mijn oma Louise en opa Fons:
De negetigste ‘Boekenweek’! Deze kump in eine tied desse dich kins aafvraoge; ‘Kint dit waal?!’ Feestelik danse, drinke en praote euver literatuur? Óngerwiel de waereld in brandj sjteit? ’t Frappante is… Det waas persies óuch zo bie de allereerste ‘Boekenweek’ in 1932. En juus wie noe, ware d’r toen, in ’t krisisjaor 1932, miense die zachte: ‘Laote veer juus noe knokke veur de waerde van literatuur en kultuur! Veur ein samelaeving wo in taal gein barrière is, mer ein ‘brögk’ kint sjlaon en ós verbindj!’ Wo versjillende sjtumme en geluuje geheurd waere.
Het was lang geleden dat ik Limburgs had gehoord, té lang. Nooit heb ik het leren spreken, maar verstaan kan ik het zeker. Mien pap komp oet Zitterd. Als klein meisje zoog ik de taal en de verhalen op, aan de lange tafel vol vlaaien, gevulde pasteitjes. Met carnaval genoot ik tot mijn twaalfde jaarlijks van de nonnevotten en de bienenstich terwijl ik me verwonderde over het gebruik van de prins om het publiek te bekogelen met appelesienen.
Toen Frans Pollux en Nynke de Jong het Limburgs en Fries lieten samensmelten in hun vertolking van Hald mich ens vas raakte ik diep ontroerd. Plotsklaps besefte ik wat een gemis het voor mijn bijna tachtigjarige vader moet zijn om zijn moerstaal al jaren niet meer te spreken. Zijn ouders zijn gestorven, hij is enig kind en alle ooms (nonkel Sjeng, nonkel Sjef) en tantes (tante Maria, tante Lies, tante Mia, tante Tien) die aan de rijkgevulde tafel bij mijn oma zetelden zijn ook al even overleden. Ik nam me voor om hem te vragen om voortaan in het Limburgs verhalen op te halen van vroeger, om samen in het Limburgs thuis te komen. Die vraag was tegen de tijd dat ik hem zag echter weer weggezonken. Dus bij dezen, papa:
Aai mich en zing,
zing zoeleef det ik dink
Aan det zinge,
allein aan dien stum
Miriam Piters
(foto vuurwerk: I, Ikluft, CC BY-SA 3.0, via Wikipedia, foto Eveline Aendekerk: © Miriam Piters)
