Mensenworst

De literatuur, en trouwens elk kunstvorm, heeft baat bij het individualiseren van emoties. In een chaossituatie, zoals een oorlog, schuilt de gruwel bijna op groteske, absurdistische wijze in het detail. Een Duitse soldaat die tijdens de barre veldtocht naar Moskou bevriest, met een arm uitgestrekt, en zo de hele winter als richtingaanwijzer fungeert. De ontmenselijking, de waanzin die dagelijkse kost wordt.

In Mensen in de oorlog van de Oostenrijks-Hongaarse schrijver Andreas Latzko (Boedapest 1876 – Amsterdam 1943) wordt een versterking in een loopgraaf getroffen door een granaat. Een luitenant die net een elpee wil opzetten, met een ‘fijne militaire mars’, wordt onthoofd, de elpee blijft wonderwel heel – het is de Eerste Wereldoorlog, dus geen vinyl maar hars, aangevuld met steenstof en katoenvezels, extra broos – en vervangt zijn hoofd terwijl het lichaam tegen de wand van de kazemat leunt.

De verteller ziet ineens overal elpees in plaats van hoofden op de soldaten, aan beide zijden van het front. De hoofden die vervangen zijn door praatjes van politici, van generaals. De naald die in de groef van misplaats nationalisme, van ‘broederschap in de strijd’, van de heldendood op het slagveld is blijven hangen.

Alleen al dit soort observaties maken Mensen in de oorlog tot een beklijvende roman, een protestgeschrift van alle tijden, zonder heel expliciet te hoeven worden. Het zijn de soldaten zelf, van hoog tot laag die hun ellende, hun twijfels, hun misère op subtiele wijze aan het licht brengen. Een kapitein, twee dagen ervoor nog op straat in Wenen tussen de groetende mensen, de koffiehuizen, dient nu zijn troepen over de kling te jagen. Hij, die de knapen eigenlijk wil behoeden. Uiteindelijk besluit hij het magazijn uit zijn revolver te halen. ‘Hij wilde als een mens sterven, zonder haat, zonder woede, met schone handen.’

Hij begrijpt enerzijds de geestdrift wel van een jonge luitenant, vers van de cadettenschool, die nog geen tijd had gehad om een ‘echt mens’ te worden, Maar vindt zijn houding ongewoon star in het licht van de naderende dood van een groot gedeelte van de manschappen. Wanneer ze beide getroffen worden, ziet de kapitein dat de luitenant lijdt. Dat het jongmens eindelijk de waanzin van de oorlog letterlijk aan den lijve ondervindt. De kapitein sterft met een glimlach op de mond, ondanks zijn gruwelijke verwondingen.

Een idyllisch dorpje waar een afmars van troepen plaats vindt, de oorlog ver van het bed, nog wel op de achtergrond als een donderstorm in de verte, de strijd als achter een kamerscherm van het gewone dagelijkse leven. Gewonde officieren die de oorlog bespreken. Een luitenant die lijdt onder shellshock. Een officier van de Generale Staf, letterlijk en spreekwoordelijk hoog te paard, die een officier cynisch ‘feliciteert’ als hij hoort welke heuvel ze moeten bestormen. De arrogantie, de onverschilligheid van de ‘strategen’.

Het ‘heilzame effect’ van de oorlog op een grote generaal, beroemd als overwinnaar van een ‘tot de verbeelding sprekende veldslag’, briesend in zijn paleis, met koks en kelners van ‘de generaalstand’ tot zijn dienst, een zo lijkt, schier oneindig mensenreservoir tot zijn beschikking. Journalisten die de man interviewen, naar zijn mond praten, later achter het slagveld wegkijken van de stapels met gewonden en doden.

Latzko was de zoon van een bankier, die zich in 1931 in Amsterdam vestigde. Hij was in aanvang niet een uitgesproken pacifist. Hij vervulde zijn dienstplicht, volgde een opleiding tot reserveofficier, maar had geen zin in herhalingsoefeningen en ontkwam daaraan met doktersbriefjes. Hij had een afkeer van nationalisme en (oorlogs)retoriek. Toch meldde hij zich met tegenzin vrijwillig bij het begin van de Grote Oorlog. Hij wordt heengezonden.

Bij een herkeuring in 1915 – de verliezen rechtvaardigen kennelijk de inzet van ook de wat minder Herculische manschappen – wordt hij vooraleerst vanwege zijn lichaamsbouw opnieuw aan de kant geschoven, maar hij heeft het idee dat hij op dat moment tot zwijgen gedoemd is, zelfs wanneer de oorlogscensuur zou zijn gebroken. Hij wil getuige zijn, om er waarachtig over te kunnen berichten.

Veertien maanden later zit hij in een rolstoel, weegt nog amper veertig kilo, voortdurend misselijk van de gruwelen die hij heeft gezien. Getuigen zal hij. Uit noodweer, het schrijven als enige remedie. De waanzin moet stoppen. De roman in verhalen Menschen im Krieg (1917) is aanvankelijk anoniem verschenen. Dus nog voor de roman Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque die Latzko’s werk uiteindelijk overschaduwde.

Latzko’s aanklacht werd een groot internationaal succes. Lezers proefden waarschijnlijk de intensiteit van de oproep, afwijkend van al het nationalistische gebral, de oprechte menselijkheid. Zijn taal is opvallend helder, ja, zelfs geestig, juist ook door het ontbreken van sentimentaliteit.

Latzko zelf verdween al snel weer in de anonimiteit, op de vlucht voor de toorn van het leger, en later voor het nazisme. Via uitgeverij Wereldbibliotheek kwam hij in Amsterdam terecht, waar nog enkele werken van zijn hand zijn verschenen, uitsluitend in het Nederlands.
Mensen in de oorlog is een krachtig en subtiel anti-oorlogsboek, opgedragen aan vriend en vijand, in elke zin van het woord, van een echte eenling met als motto ‘Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen waarin iedereen net zo denkt als ik.’ We helpen het hopen, maar de wereld lijkt net zo op drift als pakweg honderd jaar geleden. Lees Mensen in de oorlog, neem ‘de boodschap’ op, verspreidt het gedachtegoed! Meer kan een weldenkend en vredelievend mens niet doen.

Guus Bauer

Andreas Latzko – Mensen in de oorlog. Vertaald door Marcel Misset. Jurgen Maas. 160 blz. € 22,90.