Recensie: (Diverse dichters) – Zo’n handjevol veren met een lied eromheen. De mooiste gedichten over vogels
Een merel om mee op te staan
Wat wij niet kunnen, kunnen vogels wel. Denk aan vrij zijn, zweven, een vaste route volgen, de toegang tot het paradijs bieden, als vanzelfsprekend een geliefde toezingen (‘want ik durf het zelf meestal niet’). Dat is misschien wel de aantrekkingskracht van vogels op mensen. Neem het gedicht ‘Verliefd’ van Johanna Kruit, een van de ruim negentig gedichten over vogels in Zo’n handjevol veren met een lied eromheen. De mooiste gedichten over vogels, een fraaie gebonden en subliem geïllustreerde bloemlezing van poëzie-uitgeverij Plint:
Verliefd
Hoe moet ik het zeggen?
In de verte zie ik haar lopen
nu is ze alleen.Was ik maar een vogel.
Zo’n handjevol veren
met een lied eromheen.
Ook het alledaagse van vogels spreekt dichters aan, zo blijkt uit deze vogelanthologie die vol ‘klein geluk’ staat. Het gaat vaak over de lente en andere seizoenen, bomen, het strand, water, riet en reigers die op één poot staan. Alledaagse vogels spelen een belangrijke rol. Zo staan er elf gedichten over merels in de bundel die poëzie van een kleine 70 dichters uit Nederland en Vlaanderen bevat. In het gedicht ‘De merels’ van Sjoerd Kuyper wordt de meest getelde tuinvogel zelfs twee keer verdubbeld. Het opent met een motto van Frank Koenegracht, twee strofen over een vader die in een merel is veranderd. Mooi is dat de mannen die in Kuypers gedicht in de tuin naar merels staan te luisteren – de een in Bergen, de ander in Leiden – de vogels laten echoën door hun telefoons omhoog te houden en hun merels voor elkaar te laten zingen. Het deed me verlangen naar ‘Merelloos’ van Anneke Brassinga, een gedicht dat niet in Zo’n handjevol veren staat. De kastanje in Brassinga’s merelgedicht is krankzinnig geworden van de brullende merels en verlangt in een stortvloed van vergelijkingen en assonanties naar een stil, ‘merelloos’ einde in het binnenste der aarde.
Merelloos
Achter de kastanje die krankzinnig is
geworden van de brullende merels, heel
mooi zoetgevooisd melodieus maar tochals woedt er een uitslaande orgelbrand
in de kathedraal (komt allen nu samen
met blus dan wel spade (…)(…)
Nabij, nabij o en voorgoed nabij o
koude klonterpap van modderdonker
merelloos het binnenste der aarde schoot.
Er staan ook gedichten in de bloemlezing, die is voorzien van een mooie mosgroene linnen band, een leeslint, twee registers en een bronverantwoording, met een grote diversiteit aan vogels die het overschot aan merels compenseren. Ruim 35 vogelsoorten, van de bergeend tot de zomertaling, worden er opgesomd in ‘Mijn onderwerp is Vogels’ van Mariet Lems. Het gedicht heeft de vorm van een spreekbeurt die wordt opgedreund door een jonge, enthousiaste vogelaar, een echte soortenverzamelaar, die de oehoe en de ortolaan nog niet heeft gezien en besluit met ‘Ik word er blij van als ik vogels zie’. Dat slot roept de vraag op of vogels ook blij van ons worden. Het vogelperspectief ontbreekt. Uit geen enkel gedicht in Zo’n handjevol veren blijkt dat het slecht gaat met de vogels. De klimaatcrisis speelt geen enkele rol in de bloemlezing. Dat maakt van Zo’n handjevol veren een echte feel good-bundel. Dat is een gemiste kans, want klein geluk is kwetsbaar.
Als de redactie met een bredere blik naar de vogelpoëzie gekeken zou hebben, zou naast ‘Mijn onderwerp is Vogels’ ‘Dood is de dodo’ van Joke van Leeuwen hebben kunnen staan, een ‘lamento voor vogels die aan het eind van hun Latijn zijn’. De opsommingen van de Latijnse vogelnamen corresponderen met de enumeratie in Lems gedicht en met de prachtige eeuwenoude vogelillustraties uit de collecties van het Rijksmuseum, de Koninklijke Bibliotheek en het Teylers Museum die de bundel verluchten. Bovendien is ‘Dood is de dodo’ niet alleen een klaagzang voor uitgestorven en bedreigde vogels, maar ook een kinderopstel, qua vorm is er dus eveneens een verwantschap.
Ruimte voor een bredere blik biedt Zo’n handjevol veren voldoende. In plaats van voor 92 gedichten van 65 dichters (onder wie enkele minor poets van wie meerdere gedichten zijn opgenomen) had de redactie kunnen kiezen voor één gedicht per persoon. Dan was er ook plaats geweest voor bijvoorbeeld het fijne ijsvogelgedicht ‘Herleid tot zichzelf’ van Hans Faverey, ‘Hoop’ van Astrid Roemer, ‘Beginselen’ van Mustafa Stitou (‘De partij van de vogelaars stijgt opnieuw in de peilingen!’) en een van de vogelgedichten van Alfred Schaffer.
De mooiste gedichten over vogels, zoals de ondertitel van de bloemlezing luidt, bevat Zo’n handjevol veren met een lied eromheen naar mijn mening niet. Het is wel de mooist uitgegeven verzameling gedichten over vogels die ik ken. Voor wie geïnteresseerd is in klein geluk en herkenbaarheid is Zo’n handjevol veren een fijne en excellent verzorgde bundel met mooie klassieke vogelgedichten zoals ‘De duif’ (‘de kleur van onweer op zijn vleugels’) van M. Vasalis en ‘Gierzwaluwen’ van Guido Gezelle, spannende poëzie van Lucas Rijneveld en talloze gedichten die geschikt zijn voor kinderen en beginnende poëzielezers.
Marie-José Klaver
(Diverse dichters) – Zo’n handjevol veren met een lied eromheen. De mooiste gedichten over vogels. Plint, Eindhoven. 224 blz. € 30.
De kop boven deze recensie is ontleend aan het gedicht ‘Wolkjes’ van T. van Deel (p. 135 in Zo’n handjevol veren met een lied eromheen).


Oh wat een leuk thema. Ik vond de Dichter. De lucht is van vogels erg geslaagd. Ik ben benieuwd naar deze.