Recensie: Ernest Hemingway – De oude man en de zee
Onverwachte tederheid
Er zijn waarschijnlijk maar weinig schrijvers wiens marktwaarde de laatste jaren zo hard gekelderd is als die van Ernest Hemingway. Ooit misschien wel de invloedrijkste schrijver van het westelijk halfrond, nu misschien wel het toonbeeld van toxische masculiniteit. Mocht het nu bij een jachtpartijtje hier en daar zijn gebleven, hadden we zijn minder frisse kantjes misschien nog door de vingers gezien. Maar zijn schofterige gedrag naar vrouwen, zijn excessieve drankgebruik, zijn competitiedrang en moreel dubieuze hobby’s, maken dat voor de lezer van vandaag steeds moeilijker. Werkelijk alles aan de persoon Hemingway lijkt haaks te staan op de hedendaagse mores. Zozeer zelfs dat het haast een precaire onderneming is geworden om je bewondering over zijn werk uit te spreken. Toen ik ooit op een literaire aangelegenheid toegaf dat Hemingway een van mijn favoriete schrijvers is, liet mijn gesprekspartner zich plomp ontvallen dat ik dan het werk van Joan Didion maar eens moest proberen: ‘Een beetje dezelfde stijl, maar dan op zijn minst wel van een vrouw.’
Het mag daarom best dapper genoemd worden dat uitgeverij Atlas Contact, via haar imprint LJ Veen Klassiek, nagenoeg heel het oeuvre van Hemingway in druk heeft gehouden. Alleen tot nog toe helaas in oude vertalingen, die vaak nog uit de jaren 50, 60 of 70 stammen. Nu zou je je kunnen afvragen of de tot op het bot uitgehouwen stijl van Hemingway überhaupt een update nodig heeft. Hoeveel verschillende vertaalvariaties zijn er immers mogelijk bij zulke ingebonden zinnen? Maar wie de nieuwe vertaling van Peter Bergsma naast de oude van E. Veegens-Latorf en J.W.F Werumeus Buning legt, voelt al vrij snel het verschil. Waar Veegens-Latorf en Werumeus Buning de syntaxis van het origineel soms haast letterlijk overnemen, durft Bergsma zich meer vrijheden te permitteren die de tekst in het Nederlands veel natuurlijker laten klinken. Bovendien heeft hij een aantal fouten, vooral op het vlak van de nautiek en de plaatselijke fauna, rechtgezet, waardoor bepaalde beelden weer voor zichzelf kunnen gaan spreken. Hemingway klinkt in Bergsma’s handen plots een stuk vloeiender en met momenten zelfs ontroerender. Want wat Hemingways reputatie als hardboiled schrijver ook moge zijn, op het eind van de dag is het hem ook gewoon om het gevoel te doen.
Wat bij herlezing dan ook opvalt, is de tederheid die doorheen heel de tekst sluipt. Pechvogel Santiago vangt op de vijfentachtigste dag een gigantische marlijn – geen zwaardvis! – die hem drie dagen mee op sleeptouw neemt door de Caraïben. Maar door hun onderlinge strijd heen begint de visser een uiterst emotionele, soms haast liefdevolle band met het dier op te bouwen. Zozeer zelfs dat wanneer hij de vis gedood heeft en deze op de terugweg door haaien wordt opgegeten, hij er haast spijt van begint te krijgen dat hij hem ooit gevangen heeft:
‘Halve vis,’ zei hij. ‘Vis die je was. Het spijt mij dat ik te ver uit ben gevaren. Ik heb ons allebei ten gronde gericht.’
Hier stuiten we op de paradox Hemingway. Hoezeer hij in zijn eigen leven ook de mannetjesputter was, bij wie alles en iedereen moest wijken voor zijn meerdere eer en glorie, lijkt in zijn werk diezelfde eer en glorie nooit in de overwinning zelf te zitten, maar in ‘de moed en de vastberadenheid waarmee iemand zijn lot onder ogen ziet’, zoals Bergsma in zijn nawoord schrijft. Terwijl hij zelf telkens maar meer van die overwinningen leek te willen behalen, op vrouwen, dieren en de literaire wereld, leggen zijn personages juist een merkwaardig talent voor overgave aan de dag. Een buitengewoon scherp inzicht in hun eigen gebreken en tekortkomingen. Nu net waar het Hemingway zelf soms aan leek te ontbreken.
Het lukt mij dan ook nooit anders dan De oude man en de zee te lezen als het culminatiepunt van al deze tegenstrijdigheden. Hemingway was in de vijftig toen hij het schreef. De Tweede Wereldoorlog was net voorbij en daarmee ook het avontuur dat zo’n gebeurtenis voor hem met zich meebracht. Hij lag in de clinch met zijn vierde vrouw en holde blind achter een negentienjarige Italiaanse muze aan. Zijn drankgebruik was zoals altijd, hij begon hoe langer, hoe meer depressief en paranoia te worden en literair leken al zijn projecten op mislukkingen uit te draaien. Maar toch zette hij zich nog een keer aan zijn bureau met uitzicht op de zee. Nog een keer wilde hij uit vissen gaan. Nog een keer probeerde hij alle zachtheid en tederheid, die nog ergens diep op de bodem van zijn ziel verscholen lag, op te brengen voor de vis die hij hoopte te gaan vangen. Nog een keer. Nog een laatste keer.
Jonathan van der Horst
Ernest Hemingway – De oude man en de zee. Uit het Engels vertaald door Peter Bergsma. Atlas Contact, Amsterdam. 160 blz. € 19,99.

The Old Man and the Sea was het eerste boek dat mijn leraar Engels, Joost de Lange, op hrt Nieuwe Lyceum in Bilthoven mij liet lezen. Prachtig, deze kennismaking met Hemingway. De Lange’s introductie van Shakespeare was dat er over de schrijver verschillende theoriën zijn: dat het een nobleman was, een groep schrijvers, hij noemde de man uit Stratford, William Shaksper, niet. Na het lezen van Ch. Ogburns ’the Mysterious William Shakespeare’ in 1994 weet ik dat het Edward de Vere, 17th Earl of Oxford was.