Gebukt onder het gezoem van Martha

In stad O. staat een fabriek. Die fabriek zorgt voor licht, stroom en verwarming voor de stad en de rest van het land. Op wat voor manier deze fabriek die energie opwekt, is niet duidelijk. Er zijn strenge beveiligingsmaatregelen. De mensen die er werken worden op allerlei manieren in de watten gelegd. Speciaal voor hen is stad O. gebouwd, waarin het hen aan niets ontbreekt en in de wijde omgeving is er geen andere menselijke nederzetting. De ‘Vriendinnen’ van Stadsdiensten runnen de stad en staan altijd voor je klaar. De werknemers van de fabriek worden ‘broers en zusters’ genoemd, hun leidinggevenden ‘Moeders’, al zijn het soms ook mannen. De fabriek zelf maakt een licht zoemend geluid dat in de meeste delen van de stad een achtergrondruis geeft waar iedereen wel aan gewend is. De fabriek heeft ook een naam. Zij heet Martha. Dat er iets mis is met die fabriek, voel je als lezer natuurlijk al snel aan.

Bethe en Tobias zijn zo’n bevoorrecht stel dat in O. woont. Zij is leerkracht in het basisonderwijs, hij is werknemer van Martha. Ze hebben een prettige groep vrienden, met wie ze om de twee weken samen eten en wijn drinken. Kars en Tess, een Broer en een kunstenares, hebben drie kinderen, Rob en Laurence zijn beide vrijgezel. Tijdens de etentjes wordt er flink gedronken en gekletst maar de tijd vòòr O. blijft onbesproken. Praten over het verleden lijkt taboe. Bethe en Tobias hebben een vurige kinderwens maar ondanks verwoede pogingen, raakt Bethe niet zwanger. Dat maakt haar jaloers op haar vriendin Tess, die haar dan weer aanspoort om gezond te leven en vooral foliumzuur te slikken. Het eerste vreemde dat gebeurt, is de verdwijning van hun vrienden Teun en Amir, een werknemer van Martha en zijn man die ineens blijken te zijn vertrokken uit de stad. Zonder bericht. Bethe gaat op onderzoek uit en ontdekt dat hun huis al meteen bewoond wordt door andere mensen.

Op een avond vallen ineens alle lichten uit. De elektriciteit is snel weer terug maar de impact van de stroomstoring dreunt lang na. Een jongetje uit haar klas vertelt aan Bethe dat hij naar de brug naar Martha is gelopen, daar een grote bus zag en felle lichten uit de wachttorens. Als ze er zelf ’s middags naartoe loopt, lijkt er weinig aan de hand, maar van Tess hoort ze dat Martha’s werknemers twee dagen vrij waren terwijl de fabriek weer opstartte. Tobias had daar niets over gezegd. Vanaf dat moment is Bethes argwaan gewekt en begint ze meer eigenaardigheden te zien. In de burgerraad waar ze inzit, probeert ze de stroomstoring te bespreken maar de voorzitter weet het onderwerp vakkundig van de agenda te houden. Als ze het met goede vriend Laurence bespreekt, lacht die het zo’n beetje weg en begint ze aan zichzelf te twijfelen.

Daarbuiten had ze niet zulke angstgedachten, daar had ze helemaal geen tijd voor. Dit is de geprivilegieerde argwaan van iemand die geen andere zorgen meer heeft. Die in tien minuten boodschappen kan doen omdat ze niet langer naar de prijzen hoeft te kijken en die de daarmee gespaarde tijd kan besteden aan nodeloos getob. Ze ziet toch exact hetzelfde in de burgerraad, waar ze zich elke twee weken buigt over de verwaarloosbare problemen van haar stadsgenoten?

Maar Bethes argwaan is niet onopgemerkt gebleven en even later wordt ze bij Stadsdiensten op het matje geroepen. Ze blijken daar van alles over haar te weten en tot haar verbazing krijgt ze een nieuwe keuken aangeboden, die ze weigert. ‘Is er een naam voor de gewaarwording dat er, om je heen, raderen draaien waarvan jij geen weet had?’ bedenkt ze.

En dan zijn we waar Koen Caris ons wil hebben. Stadsdiensten zijn een soort Big Brother die je in de gaten houdt en bovendien andere dingen over je af kan roepen dan het bieden van een nieuwe keuken. Kennissen noemen haar gekscherend ‘stadsdetective’, haar vrienden beginnen haar te mijden en op straat krijgen Tobias en zij vuile blikken. Caris laat Bethe flink peinzen, doordraaien en afdalen in zichzelf en haar verleden. Zo krijgen we te lezen hoe Tobias en zij leefden voor ze naar O. gingen en hoe haar jeugd haar gevormd heeft. En komen we te weten dat we in een nabije toekomst zijn.

Achteraf had iedereen een moment. Een gebeurtenis waardoor ze ineens begrepen: het gaat echt niet de goede kant op met ons. (…) De eerste keer dat een onverwachte rekening je in paniek bracht. In het nieuws waren de termen almaar groter geworden – klimaatcrises, demagogen, oligarchen, pandemieën, genocides, wereldordes – maar het daadwerkelijke moment was vaak klein. Pas later had je door dat het een omslagpunt was geweest, dat je hierna nooit meer dezelfde zou zijn. Voor Bethe was het een ijskoude januaridag in 2027, (…).

Het is duidelijk wat Caris met zijn dystopische roman wil vertellen. Willen we in een (toekomstige) maatschappij leven waar onze welvaart afhankelijk is van een systeem waarin de gezondheid van zijn burgers op het spel staat en waarover we met zijn allen een oogje dichtknijpen? Wil je in zo’n maatschappij een kind opvoeden? En kun je gelukkig zijn zonder kinderen? Dat zijn belangrijke vragen om ter discussie te stellen. Caris heeft daarover absoluut een goed en spannend verhaal te vertellen en laat dit op een sprankelende manier met mooie stilistische vondsten via zijn personages zien. Het is alleen jammer dat hij dit doet in behoorlijk dichtgesmeerd proza waarin alles uitgeschreven en uitgepraat wordt en weinig aan de verbeelding wordt overgelaten. Alle beeldende ingrediënten voor een spannende film of tv-serie zijn wat dat betreft aanwezig. Ik had het alleen prettiger gevonden als er iets meer open gelaten was, iets meer wit tussen de regels en de conclusies in de lucht hingen als het zoemen van Martha.

Martijn Nicolaas

Koen Caris – Stad O. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen. 352 blz. € 24,99.