Het oog van de meester

Er zijn van die teksten die generatie op generatie meegaan, die daarboven ook nog eens alle leeftijdscategorieën blijven boeien. Het sprookje is een van de sterkste literaire vormen, de fabel, vanwege het spiegelgevecht, een bron van vermaak, van (milde) lering. Krekelzangen, fabels van La Fontaine, werkelijk voorbeeldig uitgeven in hardback met overzichtstekeningen en illustraties in beginletters van de fabels, gelijk de illuminators in monnikenwerk, beiden van Floris Tilanus, is zo’n tijdloos werk. Een hardback in linnen band, een ideaal cadeau voor jong en oud in de decembermaand. En voor elke gelegenheid daarna overigens ook.

Marietje d’Hane-Scheltema vertaalde ongeveer de helft van de tweehonderdveertig fabels van La Fontaine en voorzag ze van aantekeningen. Voor ligt een derde sterk vermeerderde druk, waar eerder een dergelijke uitgave een jaar of acht geleden verscheen. De fabels zijn, op een enkele na, niet door La Fontaine zelf bedacht. Hij moet toch eerder gezien worden als een voorvechter voor het genre, als bewerker, als vastlegger van verhalen uit de orale traditie, als vernieuwer. In de zin dat de taal voor het eerst ‘losser’ was, niet zo plechtstatig, voor een breder publiek bevattelijk.

Als classicus kon hij putten uit verzamelingen uit vroegere eeuwen, aangelegd door Romeinse dichters, Horatius bijvoorbeeld, door Griekse slaven zelfs. Dat waren verzamelingen die ook in de tijd van Jean de la Fontaine (1621-1695) graag werden gelezen. Uit latere publicaties wordt duidelijk dat hij ook zijn bronnen zocht in Frankrijk zelf, in Italië en in het Midden-Oosten.

La Fontaine had zijn vader opgevolgd als jachtopziener en houtvester van de graaf van zijn geboorteplaats Château-Thierry. In die functie observeerde hij de dieren in het bos, gebruikte zijn bevindingen in de bewerking van de dierenfabels. Aanvankelijk zou hij priester worden, maar koos na een jaar in Parijs in opleiding te zijn geweest voor een baan als klerk, frequenteerde een gezelschap van dichters. Hij werd advocaat, maar bleef zijn pen trouw, ontving stipendia voor het schrijven van reeksen gedichten, trad in dienst bij diverse hoog-adelijken, hoorde bij verschillende literaire salons.

Een lidmaatschap van de Académie Française werd door de Zonnekoning wegens zijn ‘immorele geschriften’, antiklerikaal ook, een tijd lang tegengehouden. Kritiek, hoe opbouwend, hoe onderhoudend dan ook, werd kennelijk niet als gezond ervaren. Een eerste bundel fabels, opgedragen aan de kroonprins, publiceerde La Fontaine in 1688. Hij vervolgde zijn literaire weg met onder meer een komisch toneelstuk, dat tot stevige discussies leidde. Zijn overgeleverde fabels doen je vooral glimlachen, maar in de dagen dat ze verschenen bevatten ze licht verhulde maatschappijkritiek, is de satire voor zijn tijdgenoten duidelijk voelbaar.

De verzameling van D’Hane- Scheltema opent met een heerlijk grafschrift van La Fontaine zelf. Zelfspot is immers de beste spot.

Jean ging zoals hij kwam. Hij at / altijd meer op dan hij bezat. / Voor rijkdom was hij niet geschapen. / Hij heeft zijn tijd goed doorgebracht, / liefst met twee dingen op één dag: / eerst niets doen en daarna gaan slapen.

Uit de noten achterin blijkt het tegendeel. La Fontaine was een harde werker. Hij voorzag de fabels van lange extra teksten, overwegingen over moraal, inleidingen en nawoorden. Als een ware bewerker, een (zelf)-analyticus, een soortement recensent, een chroniqueur van het verleden, van zijn tijd. Die extra teksten zijn over het algemeen weggelaten, maar juist de noten/aantekeningen achterin zorgen voor content en zijn in dat kader heel waardevol. Al is het juist mooi dat je de teksten, die met veel inventiviteit zijn vertaald, ook sec tot je kunt nemen. Ideaal ook om voor te lezen.

De beroemde fabel over de krekel en de mier, de flierefluiter en de harde werker, is vaak gebruikt als waarschuwing in de trant van ‘wie niet werkt, zal ook niet eten’. Maar de mier betaalt de krekel niet voor zijn fijne gezang. In die zin lijkt dat toch eerder een aanklacht tegen de geringe waardering, tegen het voor lief nemen van de kunstenaar.

De tekeningen van Floris Tilanus in de beginletters zijn kleine geestige pareltjes op zich, de overzichtstekeningen, zwart-wit, een arcerende stijl, zeer bewerkelijk en tijdrovend, zijn vaak fijne zoekplaten, klassiek en modern tegelijk. De fabels, een verdienste van La Fontaine en van de vertaalster, zijn op meerdere niveaus te lezen, en dat maakt ze zo universeel, zo tijdloos.

Guus Bauer

La Fontaine – Krekelzangen, fabels. Vertaling Marietje d’Hane-Scheltema. Illustraties Floris Tilanus. Van Oorschot, Amsterdam. 200 blz. € 32,50.