De demonen van Joost Zwagerman

In februari 2015 kreeg ik een mail van Joost Zwagerman over een artikeltje op Tzum. Dat had hij weleens eerder gedaan om iets aan te vullen. Er stond ook een terloopse vraag bij: ‘Ben je al in het nieuwe pand van de Arbeiderspers geweest? Nu onder 1 dak met Querido en Nijgh.’ Ik moest toen bekennen dat het manuscript voor mijn tweede roman (de eerste, Victorie, was in 2008 bij deze uitgeverij verschenen) eind 2014 was afgewezen door De Arbeiderspers, zonder dat ze het gelezen hadden. De toenmalige uitgever wilde het manuscript zelfs niet ontvangen. De aanname dat uitgeverijen geïnteresseerd zijn in de inhoud van een boek kreeg toen wel een deukje. Zwagerman reageerde: ‘Ik begrijp dat de lol er af was, en [X] had wel even anders kunnen reageren. Wil je misschien dat ik er diplomatiek iets over zeg? De AP maakt naar mijn idee opmerkelijke manoeuvres. En ik zeg dat als auteur die al heel lang bij AP is.’ Een bijzonder aardig antwoord, vond ik, maar ik sloeg zijn aanbod toch af. Mijn roman De valkunstenaar verscheen in 2016 bij Uitgeverij kleine Uil, nadat ik nog drie uitgeverijen had benaderd die mijn manuscript overigens wel lazen. Belangrijker is dat in 2015 bekend werd dat Zwagerman zijn nieuwste dichtbundel, Wakend over God, uit zou brengen bij uitgeverij Hollands Diep.

In de biografie van Maria Vlaar, Zwaag; de zeven levens van Joost Zwagerman, wordt onthuld dat Zwagerman in het voorjaar van 2015 al een contract afsloot met Robbert Ammerlaan van Hollands Diep, waarin staat dat al het komende werk bij de nieuwe uitgeverij zal verschijnen. Er worden maar liefst zes projecten vastgelegd: een bloemlezing over beeldpoëzie; de autobiografische roman Mijn huisarts over dokter Nico Tromp, ook de huisarts van Zwagerman, die mensen hielp bij euthanasie (die ook zichzelf doodde nadat er een procedure tegen hem werd aangespannen); de autobiografische roman Opgenomen over zijn eigen opname in een kliniek in Epen; een schelmenroman over Zwagerman als presentator van Zomergasten; een essaybundel over Nederlandse en Vlaamse kunst en ten slotte een bloemlezing over Amerikaanse literatuur. Voor de eerste drie boeken kreeg Zwagerman een voorschot van 150.000 euro. Het bedrag hielp hem meteen van zijn financiële zorgen af, maar de verplichting om al die werken te schrijven zal hem benauwd hebben, want behalve het Boekenweekgeschenk Duel in 2010 en de roman Zes sterren uit 2002 verscheen er deze eeuw geen fictie van zijn hand. Op 8 september 2015 maakt Zwagerman een einde aan zijn leven.

Het einde van de schrijver staat in schril contrast met het voorspoedige begin van Zwagermans literaire carrière, want al tijdens zijn studie Nederlands wordt zijn debuut De houdgreep (1986) uitgegeven. Dat hij in de literatuur verzeild zou raken was al wel duidelijk, blijkt uit Zwaag, want hij was tijdens al zijn jeugd bezig met het produceren van een tijdschrift, de Zwagergids, waarin hij zijn ideeën over literatuur, politiek en televisie kwijt kon. Het zat er dus altijd wel in. Met zijn tweede roman, Gimmick (1989), brak Zwagerman pas echt door. Een roman die duidelijk gemodelleerd was naar de voorbeelden van de Amerikaanse auteurs die als de Brat Pack bekendstonden – Bret Easton Ellis, Tama Janowitz, Jay McInerney – en die een Nederlandse inkleuring kregen met de Amsterdamse kunstscene als voorbeeld en de Amsterdamse discotheek de Roxy als decor. Ronald Giphart, generatiegenoot en later bevriend met Zwagerman, zag die roman als een vernieuwing in de Nederlandse literatuur die in die jaren nogal Brakmannerig was. Ook in de dichtkunst zat Zwagerman bij de artistieke voorhoede, bij de expressieve groep De Maximalen die het poëzielandschap dat nogal Koplanderig was, wilde opschudden, al viel de groep al snel uit elkaar en is iedereen zijn eigen weg gegaan.

De ondertitel De zeven levens van Joost Zwagerman is goed gekozen door Vlaar, want het wordt duidelijk dat Zwagerman zich steeds opnieuw als schrijver moest uitvinden. Hij had in de stijl van Gimmick door kunnen gaan, maar in plaats van een herhaling van zijn succes koos hij voor meer psychologische romans. Ja, Zwagerman stond vooraan bij nieuwe bewegingen, maar hij wilde zeker ook de waardering krijgen van de oudere generatie (zoals Jeroen Brouwers met wie hij correspondeerde). Zijn bloemlezingen van verhalen en essays uit de Nederlandse literatuur (die bij Prometheus verschenen) zijn nog steeds een schatkamer en laten ook een grote belezenheid van die oudere generatie zien. Hij schreef columns en essays over politiek, literatuur, muziek en kunst. Hij was interviewer, radiopresentator en tv-presentator en uiteindelijk de man die bevlogen kunstcolleges gaf in De Wereld Draait Door.

Manuscripta: Joost Zwagerman, Ronald Vlek and Julian Barnes

Zwaag laat ook de keerzijde zien: de kant van drugs- en medicijnengebruik, onzekerheid en zware depressies. Ook het liefdesleven van Zwagerman komt aan de orde. Daarover schreef Joost Nijsen – oud-uitgever van Podium en getrouwd met Maaike Pereboom, de weduwe Zwagerman – in een nogal onheus stuk in de Volkskrant:

‘Seksverslaafd’ is dan weer niet het adjectief dat daarbij past. Een dusdanig veelkantige persoonlijkheid en woordkunstenaar daartoe framen, getuigt van het soort bekrompenheid en vluchtig moreel oordeel waar juist schrijvers zich altijd tegen moeten blijven verzetten.

Ik weet niet of seksverslaafd een moreel oordeel inhoudt (ik zou het veel erger vinden als je als schrijver ‘woordkunstenaar’ genoemd wordt), maar als je naast je eigen vrouw (Arielle Veerman in eerste instantie) er vaste en losse vriendinnen op nahoudt én daarnaast regelmatig naar een prostituee gaat dan lijkt me de term seksverslaafd redelijk accuraat. Ik proef bij Vlaar alleen een moreel oordeel als Zwagerman Veerman verbiedt wat hij zelf doet.

Alles wat Joost zichzelf en zijn literaire vrienden toestaat, de vrijheid waarover hij gepassioneerd schrijft, waar hij volop van geniet, zijn overspel, uitgaan en plezier hebben, staat hij zijn vrouw niet toe.

Naar buiten toe laat het imago van de schrijver niet toe dat hij een brave burgerman blijkt te zijn, maar binnenshuis is de werkelijkheid soms anders. Als Zwaag nou een ding duidelijk maakt, dan is het die ‘veelkantige persoonlijkheid’ van Zwagerman.

Zwaag is een rijke biografie, die ook inzichtelijk maakt hoe de apenrots (vol mannetjesapen) van de literatuur in de afgelopen decennia werkte. Hier en daar wilde ik nog meer weten: over de dubieuze rol van psychiater Bram Bakker bijvoorbeeld die Zwagerman van pillen voorzag en die niet wilde meewerken aan de biografie. Nog meer over de vetes met Arjan Peters, Michaël Zeeman en Anil Ramdas (die allemaal wel aan de orde komen). Over de breuk met De Arbeiderspers. Uiteindelijk krijg je met deze schrijver zeker compassie. Je kende hem van lezingen, zag hem bij literaire avonden, zat met hem in de kroeg, je hebt bijna alles van hem gelezen en toch wist je helemaal niets van de demonen waartegen hij vocht. Dankzij Zwaag weet ik dat nu wel. Al zou ik ook nog graag een boek willen van Giphart over zijn Zwagermanjaren of van Jessica Durlacher over haar vriendschap met Zwagerman. Dat Zwagerman ondanks zijn demonen toch nog zo’n veelzijdig oeuvre bij elkaar heeft geschreven mag een ondertussen een godswonder heten.

Coen Peppelenbos

Maria Vlaar – Zwaag; De zeven levens van Joost Zwagerman. De Arbeiderspers, Amsterdam. 768 blz. € 45,-.