Joods-zijn in Rotterdam na 14 mei 1940

Er is na de bevrijding in 1945 ongelooflijk veel onderzocht en geschreven over de vier oorlogsjaren in Nederland, maar de nadruk ligt daarbij veelal op wat er in Amsterdam heeft plaatsgevonden. Noem het het Anne Frank-effect. Maar ook Den Haag en Rotterdam en andere steden kenden omvangrijke Joodse gemeenschappen. Marleen van den Berg schreef eerder met Hinke Piersma een onderzoeksrapport voor de stad Rotterdam over het handelen van de gemeente ten opzichte van haar Joodse inwoners tussen 1940 en 1955. In Joods Rotterdam brengt ze, hiervoor als onderzoeker verbonden aan het NIOD, in kaart wat er met die bevolkingsgroep is gebeurd na het alom bekende bombardement op de Maasstad, in de oorlogsjaren en ook daarna.

De sectie ‘daarna’ is niet onbelangrijk, want als gevolg van het gruwelijke bombardement op 14 mei 1940, dat grote delen van het stadscentrum wegvaagde, werden talloze mensen van de ene op de andere dag dakloos. Ook werden, in dit verband beschouwd, synagogen en Joodse gemeenschapsgebouwen volkomen vernield. Wie na de jaren van de Jodenvervolging en de systematische uitroeing in de vernietigingskampen toch nog huiswaarts kon keren, vond dus vrijwel niets meer terug en zeker geen thuis. De weinige huizen die nog gebruikt konden worden, waren ingenomen door anderen, bezittingen waren in grote mate verduisterd of onvindbaar.

De Joodse Raad, ingesteld door de Duitse bezetters om Joden mede-verantwoordelijk te maken voor hun eigen ondergang, speelde ook in Rotterdam een voorname rol. Van den Bergs boek begint met huiveringwekkende woorden van Carry (Caroline) Ulreich, die als nog piepjonge medewerkster van de Joodse Raad aanwezig was in Loods 24, een tabaksmagazijn, waar de samengedreven Joden onder politietoezicht ‘voorbereid werden’ voor ‘werkverruiming in Duitsland’. Het betekende in de praktijk het begin van een lange reis zonder terugkeer naar de vernietigingskampen. Carry’s dagboek bevat het enige ooggetuigeverslag over wat daar precies is gebeurd.

Rotterdam kende geen echte Jodenbuurt, zoals Amsterdam, maar met elkaar woonden en werkten wel 13.000 Joden in de stad. In het eerste jaar van de bezetting was hen emigratie nog toegestaan, al was het al meteen niet gemakkelijk. Veruit de meesten kwamen vroeger of later in de beruchte loods terecht, waar nooit helemaal van duidelijk is geworden wat zich daar heeft afgespeeld, schrijft Van den Berg, in 1970 werd het gebouw afgebroken. Wel is berekend dat van de ruim zesduizend Joden die er uit weggevoerd werden slechts een paar honderd de kampen hebben overleefd. Veelzeggend is Van den Bergs opmerking dat het vermoedelijke geweld in de loods afgezet tegen de verschrikkingen in de kampen mede-veroorzaakt heeft dat nooit iemand er meer over is begonnen.

Het zijn vermoedens, maar dan wel van de soort die zo weinig ruimte laten voor alternatieve verklaringen, dat ze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel terecht moeten zijn. Van den Berg stelt in haar boek scherp op enkele Joods-Rotterdamse families. De familie Van Koppelen-Bannet, de familie Noach en de familie Ulreich. Van hen zijn documenten bewaard gebleven, waardoor onderzoek preciezer en ook invoelbaarder kon worden uitgevoerd: wat maakten mensen in persoon mee tijdens die gruwelperiode. Daarnaast bekeek Van den Berg de levens van de familie Bouwman-Beffie, opperrabbijn Davids en boekhandelaar Leon Greenman. Bij de laatstgenoemden gaat het minder om hun persoonlijke ervaringen, maar meer over de vraag wat de Jodenvervolging, de roof en ‘ontrechting’ betekende voor hun maatschappelijke positie.

Van den Berg maakte voor haar omvangrijke onderzoek, voorzien van een imposante noten- en bronnenlijst, stevige keuzes om de helderheid van het toegespitste onderzoek te garanderen. Ze gaat om die reden bijvoorbeeld niet in op de omstandigheden tijdens de deportaties en het verblijf in de concentratiekampen. Wel bespreekt ze de methodes en definities van de nazi’s om mensen in te delen en daarmee als toekomstig slachtoffer van de holocaust. Vanzelfsprekend bekijkt ze nauwgezet de specifiek Rotterdamse situatie:

De nazi’s hadden de Rotterdamse deportatielocatie slim gekozen. Loods 24, gelegen aan de Stieltjesstraat en niet aan de Entrepotstraat, zoals op de oproep vermeld stond, was gelegen op het terrein van de Gemeentelijke handelsinrichtingen, in het havengebied in het zuiden van Rotterdam. Om hier te komen moesten de Joden eerst via de Willemsbrug de Maas oversteken, waarbij ze het centrum van de stad achter zich lieten. Vervolgens liepen ze via Noordereiland over de Koningsbrug rechtsaf de Stieltjesstraat in. Hier liepen ze onder het imposante poortgebouw, ooit gebouwd voor de Joodse zakenman Lodewijk Pincoffs, een ommuurd terrein op. Nu waren ze afgesloten van de stad en onttrokken aan het zicht van hun stadgenoten.

Ook over de na-oorlogse ervaringen van de weinige Rotterdamse Joden die terugkeerden, gaat een flink deel van dit buitengewoon uitgebreide boek. Daarin speelde het Bureau Rechtsherstel Rotterdam een voorname rol, maar anders dan de naam doet vermoeden, hadden de teruggekeerde Joden er weinig aan. Op papier werden rechten en plichten voor eenieder hersteld, in de praktijk moesten de overlevenden van de kampen het grotendeels zelf maar uitzoeken.

Bovendien, zo stelt Van den Berg vast, vond de Nederlandse regering dat rechtsherstel niet voor rekening van de staat mocht komen, maar ook dat het niet de gevestigde posities binnen de Nederlandse economie aan het wankelen mocht brengen, omdat dat de wederopbouw zou kunnen schaden. Even veelzeggend is dat van dezelfde redenering uit werd gegaan bij de naoorlogse zuiveringen. Hoewel het Rotterdamse bedrijfsleven op grote schaal gecollaboreerd had met de Duitse bezetter bleven de ‘grote vissen’ buiten schot.

In haar gedetailleerde conclusie komt Van den Berg tot de haast karikaturale slotsom dat zowel Joden als niet-Joden in de stad ten langen leste toch Rotterdammers waren en dus ‘de blik vooruit richten’. Aanpakken en opbouwen, geen woorden maar daden. De situatie van de Joodse Rotterdammers verschilde echter wel met die van de anderen. Het verlies van geliefden, hele families, vriendengroepen, kennissen en klasgenoten was groot, de uitsluiting en het verlies van bezittingen niet minder.

André Keikes

Marleen van den Berg – Joods Rotterdam. Vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel. Querido – Amsterdam – Antwerpen. 432 blz. €3 1,99.